het/de Flashcards
1
Q
vliegtuig (plane)
A
het vliegtuig
2
Q
boek (book)
A
het boek
3
Q
tijdschrift (magazine)
A
het tijdschrift
4
Q
krant (newspaper)
A
de krant
5
Q
identiteitskaart (ID)
A
de identiteitskaart
6
Q
auto
A
de auto
7
Q
baby
A
de baby
8
Q
fruitsap (juice)
A
het fruitsap
9
Q
koffie
A
de koffie
10
Q
meisje (girl)
A
het meisje
11
Q
taxi
A
de taxi
12
Q
jongen (boy)
A
de jongen
13
Q
thee
A
de thee
14
Q
fiets (bicycle)
A
de fiets
15
Q
whisky
A
de whisky
16
Q
wijn
A
de wijn
17
Q
man
A
de man
18
Q
water
A
het water
19
Q
vrouw
A
de vrouw
20
Q
bier
A
het bier
21
Q
bus
A
de bus
22
Q
trein
A
de trein
23
Q
melk
A
de melk
24
Q
jongen
A
de jongen
25
Q
vriend
A
de vriend
26
Q
kind
A
het kind
27
Q
collega
A
de collega
28
Q
alfabet
A
het alfabet
29
Q
Jaar
A
Het Jaar
30
Q
Maand
A
De maand
31
Q
Week
A
De week
32
Q
Dag
A
De Dag
33
Q
the store
A
de winkel
34
Q
the profession
A
het beroep
35
Q
the family (close)
A
het gezin
36
Q
the telefoonnummer
A
het telefoonnummer