extra Flashcards
1
Q
groeien
A
croitre met kapje op i
2
Q
naambekendheid, reputatie
A
renommée
2
Q
oprichten
A
fonder
3
Q
winkelketen
A
Chaîne de magasins
4
Q
oprichter
A
fondateur
5
Q
overnemen
A
rachéte
6
Q
veroveren
A
conquérir
7
Q
activiteit
A
activité
8
Q
productie
A
production
9
Q
fabricage
A
fabrication
10
Q
distributie
A
distribution
11
Q
informatica
A
informatique
12
Q
toerisme
A
toerisme
13
Q
financiele diensten
A
services financiers
14
Q
oprichting
A
fondation
15
Q
leeftijd van het bedrijf
A
Âge de l’entreprise
16
Q
aantal werknemers
A
effectif
17
Q
toegankelijkheid
A
accessible
18
Q
aandelen
A
les parts