Deel 1 Flashcards
the cheek

de wang/de wangen
the greeting

de begroeting/de begroetingen
the bow

de buiging/de buigingen
the embrace

de omhelzing/de omhelzingen
the kiss

de kus/de kussen
the hug
de knuffel/de knuffels
the habit
de gewoonte/de gewoonte(s)/(n)

de wai
funny
grappig
awesome
geweldig
to greet
begroeten
begroet
begroette(n)
begroet
to embrace
omhelzen
omhels
omhelsde(n)
omhelsd
to cuddle
knuffelen
knuffel
knuffelde(n)
geknuffeld
to kiss
kussen
kus
kuste(n)
gekust
to laugh
lachen
ik lach
lachte
gelachen
to give
geven
geef
gaf
gegeven
I make a bow/ naamaste
ik maak een buiging/een wai
I make smalltalk
Ik maak een praatje
to shake someone by the hand
iemand de hand schudden
I shake someone by the house
ik schude iemand de hand
I give a kiss
Ik geef een kus
I shake hands (or I give a hand??)
ik geef een hand
to just be
het gewoon zijn
I’m just…
ik ben het gewoon
To have your hands full
de handen vol hebben
I have my hands full
Ik hed de handen vol
shake
schudden
schud
schudde(n)
geschud
to give
geven
geef
gaf (gaven)
gegeven
to be
zijn
ben
was (waren)
(ben) geweest
to have
hebben
heb
had (hadden)
gehad
both
allebei
neither
geen van beiden
the same length
even lang
as much (same amount)
evenveel
the same
dezelfde
hetzelfde
I live in a different city than you
Ik woon in een andere stad dan jij
I come from a different country than you
Ik kom uit een ander land dan jij
I think so!
Ik denk het wel!
I don’t think so!
Ik denk het niet!
Yes, of course!
Ja, zeker!
I’m sure!
Ik weet het zeker!
I live in a different city than you
Ik woon in een andere stad dan jij
I speak a different language to you
Ik spreek een andere taal dan jij
I come from a different country than you
Ik kom uit een ander land dan jij (de woord)
I can to Belgium in a different year
Ik ben in een ander jaar naar België gekomen
Do you know if François has a car?
Weet jij of François een auto heeft?
Do you know if François can sing well?
Weet jij of François goed kan zingen?
Do you know if François has even been in a hospital?
Wee jij of François ooit in een ziekenhuis heeft gelegen?
I know/think that he has a car
Ik weet/dent dat hij een auto heefy
I know/think he can’t sing well
Ik weet/denk dat hij niet goed kan zingen.
I know/think that he has never been to hospital
Ik weet/denk dat hij nog nooit in een ziekenhuis heeft gelegen.
Hoeveel kinderen heb jij?
(I have 2
I have none)
Ik heb er twee. Ik heb er geen.
Hoeveel kussen geeg jij?
(I give three)
Ik geef er drie.
My mother opened the door when we got home
Mijn moeder deed de deur open toen we thuiskwamen
When my boyfriend went to Spain for the first time, my mother gave him two kisses.
Toen mijn vriend voor het eerst mee naar Spanje ging, kreeg hij van mijn moeder twee kussen.