das personalpronomen: nominativ, akkusativ und dativ Flashcards
1
Q
ik nominatief
A
ich
2
Q
jij nominatief
A
du
3
Q
hij nominatief
A
er
4
Q
zij nominatief
A
sie
5
Q
het nominatief
A
es
6
Q
wij nominatief
A
wir
7
Q
jullie nominatief
A
ihr
8
Q
zij (meervoud) nominatief
A
sie
9
Q
u nominatief
A
Sie
10
Q
ik accusatief
A
mich
11
Q
jij accusatief
A
dich
12
Q
hij accusatief
A
ihn
13
Q
zij accusatief
A
sie
14
Q
het accusatief
A
es
15
Q
wij accusatief
A
uns
16
Q
jullie accusatief
A
euch
17
Q
zij (meervoud) accusatief
A
sie
18
Q
u accusatief
A
Sie
19
Q
ik datief
A
mir
20
Q
jij datief
A
dir
21
Q
hij datief
A
ihm
22
Q
zij datif
A
ihr
23
Q
het datief
A
ihm
24
Q
wij datief
A
uns
25
Q
jullie datief
A
euch
26
Q
zij (meervoud) datief
A
ihnen
27
Q
u datief
A
Ihnen