Complete the Sentences 1-100 Flashcards
Zin 1
S’avonds doe ik mijn ring af.Ik leg mijn ring altijd…..
(In the) evening take i my ring off.I lay my ring always…..on the table.
ANSWER: OP DE TAFEL.
Zin 2
Aaliyah pakt eerst een kopje koffie.Daarna gaat ze……..
Aaliyah grabs first a cup Coffee.After that goes she……to her work.
ANSWER: NAAR HAAR WERK.
Zin 3
Aaron gaat donderdag op reis.Hij vind dat…….
Aaron goes thursday on a trip.He finds that…..exciting.
ANSWER: SPANNEND.
Zin 4
Aaron is dokter.Hij werkt……
Aaron is doctor.He works….at the hospital.
ANSWER: IN HET ZIEKENHUIS
Zin 5
Aaron is schilder.Hij schildert meestal…….
Aaron is painter.He paints mostly…….landscapes.
ANSWER: LANDSCHAPPEN.
Zin 6
Abdul stuurt zijn familie elke week een e-mail.Hij schrijft dan over……
Abdul sends his family every week an e-mail.He writes then about..his study.
ANSWER: ZIJN STUDIE
Zin 7
Abel is op school.Hij heeft….
Abel is at school.He has……lessons.
ANSWER: LES.
Zin 8
Achmed is klaar met school.Hij gaat…..
Achmed is finished with school.He goes…..work.
ANSWER:WERKEN.
Zin 9
Adam is aan het koken.Hij maakt……
Adam is cooking He makes……chicken with rice.
ANSWER: KIP MET RIJST.
Zin 10
Achmed brengt zijn zoon naar het vliegveld.Zijn zoon gaat….
Achmed takes his son to the airport.His son goes…..on vacation.
ANSWER: OP VAKANTIE
Zin 11
Aiden is bij de bakker.Hij wil….
Aiden is at the baker.He wants…. bread.
ANTWOORD: BROOD.
Zin 12
Alec gaat naar school.Hij wil graag….
Alec goes to school.He wants gladly….study..
ANSWER: STUDEREN.
Zin 14
Alex gaat altijd graag met de trein.Ik ga graag met…..
Alex goes always gladly with the train.i go gladly with……the bus.
ANSWER: DE BUS.
Zin 15
Alex is ziek.Hij heeft pijn aan…..
Alex is sick.He has pain at…..his knee.
ANSWER: ZIJN KNIE.
Zin 16
Alex wil nieuwe schoenen.Hij gaat naar….
Alex want new shoes.He goes to……the store.
ANSWER: DE WINKEL.
Zin 17
Ali kan niet goed lopen.Hij heeft pijn aan zijn….
Ali can not good walk.He has pain at his……feet.
ANSWER: VOET
Zin 17
Ali werkt in een fabriek.Hij wil…..
Ali works in a factory.He wants….not study.
ANSWER: NIET STUDEREN.
Zin 18
Alice werkt in een ziekenhuis.Zij is daar……
Alice works at a hospital.She is there….doctor.
ANSWER: DOKTER.
Zin 19
Amel sport graag.Sporten is……
Amel sport like.Sport is….healthy.
ANSWER: GEZOND.
Zin 20
Ana is niet blij met haar huis.Zij vind haar huis…..
Ana is not happy with her house.She finds her home…..too small.
ANSWER: TE KLEIN.
Zin 21
Ananda is aan het koken
Ze maakt……
Ananda is cooking.She makes…..Rice with chicken.
ANSWER:RIJST MET KIP.
Zin 22
Andres werkt op het land.Het werk is …..
Andres works on the land.The work is…..heavy.
ANSWER: ZWAAR
Zin 23
Anisa maakt huiswerk op de computer.Zij doet dat…..
Anisa makes homework at the computer.She does that…..gladly.
ANSWER: GRAAG.
Zin 24
Anna is bij de dokter.Ze krijgt….
Anna is at the doktor.She gets…….medicine.
ANSWER: MEDICIJNEN
Zin 25
Anna’s huis is te klein.Ze wil snel
Anna’s home Is too small.She wants quickly……move.
ANSWER: VERHUIZEN.
Zin 25.2
Anna wast de paprika.Ze gaat…..
Anna wash the paprika.She goes cook.
ANSWER: KOKEN.