Words 5 Flashcards
afhalen
to pick up/take away
alle
all
bestellen
to order
bezorgen
to deliver
bijvoorbeeld
for example
buiten
outside
daarom
therefore
internationaal
international
haring, de
herring
land, het
country
laat
late
manier, de
way/method
mayonaise, de
mayonnaise
mens, de
person/human
reserveren
to reserve/book
overal
everywhere
plaats, de
place
smaken
to taste/flavors
tafel, de
table
proeven
to taste
stamppot, de
mash with vegetables
terras, het
terrace
typisch
typical
verschillend
different
vroeg
early
advies, het
advice
bank, de
couch/bank
zoals
like/as
afvallen
to lose weight
bewegen
to move/exercise
buik, de
belly/stomach
meer
more
dik
fat/thick
frisdrank, de
soda/soft drink
gelijk hebben
to be right
ieder
each
leven
life/to live
minder
less
ongezond
unhealthy
pakken
to grab
patat, de
fries
probleem, het
problem
snappen
to understand/grasp
sporten
to sport/do sports
toch
yet/still
tussendoor
in between
vet
fat
wegen
to weigh
boterham, de
sandwich
weinig
little/few
avondeten, het
dinner
broodje, het
roll/bun
ding, het
thing
doordeweeks
weekdays
gek
crazy
jam, de
jam
havermout, de
oatmeal
koud
cold
lijken
to seem
Nederlander, de
Dutch person
vaak
often
lunchen
to lunch
nooit
never
noedels, de
noodles
ontbijt, het
breakfast
pasta, de
pasta
salade, de
salad
sinaasappelsap, de
orange juice
zout
salt
koelkast, de
refrigerator
trein, de
train
tussen
between
vanmiddag
this afternoon
zoet
sweet
vegetariër, de
vegetarian
allerlei
all kinds of
boter, de
butter
gezond
healthy
fles, de
bottle
groot
large
klaar
ready
langs
along/past
meenemen
to take along
moeten
must/have to
niks
nothing
nodig
necessary
over
over/about
pak, het
suit/package
soep, de
soup
staan
to stand
straks
soon/later
toetje, het
dessert
ui, de
onion
wijn, de
wine
water, het
water
vinden
to find
yoghurt, de
yogurt
zout, het
salt