Words 3 Flashcards
chips, de
chips
denken
think
dicht
closed
fietsen
to cycle/bike
half
half
internet, het
internet
keuken, de
kitchen
laat
late
leeg
empty
liggen
to lie (position)
maandag
Monday
open
open
’s avonds
in the evening
openingstijden, de
opening hours
’s middags
in the afternoon
’s morgens
in the morning
snel
fast
tot
until/to
uur
hour/o’clock
weten
to know
zak, de
bag
altijd
always
bakker, de
baker
bij
at/by
brood, het
bread
buurt, de
neighborhood
dinsdag
Tuesday
duur
expensive
goedkoop
cheap
halen
to get/fetch
hier
here
kennen
to know (a person)
hoor
hear/listen
meestal
usually
middag, de
afternoon
soms
sometimes
natuurlijk
naturally
straat, de
street
ochtend, de
morning
veel
a lot/much
ver
far
vers
fresh
wanneer
when
vragen
to ask
wel
well/actually
welk
which
zaterdag
Saturday
zien
to see
aardappel, de
potato
dag
day
alsjeblieft
please (informal)
alstublieft
please (formal)
anders
different/otherwise
dan
then
ei, het
egg
fijn
fine/nice
goed
good
gram, de
gram
hoeveel
how much
iets
something
jammer
pity/shame
kaas, de
cheese
kijken
to look/watch
mevrouw
madam/ma’am
kilo, de
kilo
mogen
may
nee
no
verkoper, de
salesman
nemen
to take
pinnen
pay by card
voor
for/in front of
zeggen
to say
banaan, de
banana
ander
other
appel, de
apple
bijna
almost
fruit, het
fruit
dus
so/thus
doen
to do
boodschappen, de
groceries
eten, het
food/meal
groente, de
vegetable
kip, de
chicken
kopen
to buy
lijst, de
list
maken
to make
markt, de
market
meer
more
of
or
praten
to talk
rijst, de
rice
supermarkt, de
supermarket
thuis
at home
tomaat, de
tomato
vis, de
fish
vlees, het
meat
we
we
wortel, de
carrot