Woorden Unit 4 Big English Engels Flashcards
1
Q
Allergies
A
Allergieën
2
Q
Cold
A
Koud
3
Q
Cough
A
Hoesten
4
Q
Cut
A
Snee
5
Q
Fever
A
Koorts
6
Q
Headache
A
Hoofdpijn
7
Q
Sneeze
A
Niezen
8
Q
Sore throat
A
Keelpijn
9
Q
Stomachache
A
Buikpijn
10
Q
Toothache
A
Tandpijn
11
Q
Bacteria
A
Bacterie
12
Q
Fungi
A
Schimmels
13
Q
Germs
A
Ziektekiemen
14
Q
Herbal tea
A
Kruidenthee
15
Q
Ingredients
A
Ingrediënten
16
Q
Medicine
A
Medicijnen
17
Q
Protozoa
A
Protozoën
18
Q
Remedies
A
Geneesmiddel
19
Q
Sunburn
A
Verbranding door de zon
20
Q
Toxins
A
Gifstoffen
21
Q
Vinegar
A
Azijn
22
Q
Viruses
A
Virussen