Woorden Unit 2 Big English 4 Engels Flashcards
1
Q
Eat out
A
Uit eten
2
Q
Go on holiday
A
Op vakantie gaan
3
Q
Go to a dentist
A
Naar de tandarts gaan
4
Q
Have a guitar lesson
A
Een gitaar les hebben
5
Q
Once
A
Een keer
6
Q
Twice
A
Twee keer
7
Q
Tree times
A
Drie keer
8
Q
Every day
A
Elke dag
9
Q
How about you?
A
En jij?
10
Q
That’s a lot of…
A
Dat zijn veel…
11
Q
Wedding
A
Bruiloft
12
Q
Advertisement
A
Advertentie
13
Q
Advert
A
Advertentie
14
Q
To believe
A
Geloven
15
Q
Company
A
Bedrijf
16
Q
Habits
A
Gewoontes
17
Q
Popular
A
Populair
18
Q
To remember
A
Onthouden
19
Q
Secret
A
Geheim
20
Q
Strange
A
Vreemd
21
Q
Tool
A
Gereedschap
22
Q
Unusual
A
Ongebruikelijk
23
Q
Visit my grandparents
A
Mijn grootouders bezoeken
24
Q
Alphabetical order
A
Op volgorde van het alfabet