Week 4 Flashcards
dit
kore
kore
dit
dat
sore
sore
dat
dat (daarginds)
are
are
dat (daarginds)
welke
dore
dore
welke
hier
koko
koko
hier
daar
soko
soko
daar
daarginds
asoko
asoko
daarginds
waar
doko
doko
waar
wie
dare
dare
wie
wat
nan; nani
nan; nani
wat
wanneer
itsu
itsu
wanneer
hoe
dou; dou yatte
dou; dou yatte
hoe
waarom
doushite; naze; nande
doushite; naze; nande
waarom
hoe duur
ikura
ikura
hoe duur
wc; toilet
toire; otearai
toire; otearai
wc; toilet
restaurant
resutoran
resutoran
restaurantzi
ekenhuis
byou-in
byou-in
ziekenhuis
yen
en
en
yen
fruit
kudamono
kudamono
fruit
groenten
yasai
yasai
groenten
aanbeveling
osusume
osusume
aanbeveling
menu
menyuu
menyuu
menu
vis
sakana
sakana
vis
vlees
niku
niku
vlees
rundvlees
gyuuniku
gyuuniku
rundvlees
varkensvlees
butaniku
butaniku
varkensvlees
paling
unagi
unagi
paling
udon
udon
udon
udon
japanse pannenkoek
okonomiyaki
okonomiyaki
japanse pannenkoek
noedels in bouillon
ramen
ramen
noedels in bouillon
boekweitnoedels
soba
soba
boekweitnoedels
rijst met rundvlees
gyuudon
gyuudon
rijst met rundvlees
gesmoorde groenten en rundvlees
sukiyaki
sukiyaki
gesmoorde groenten en rundvlees
curry
karee
karee
curry
water
mizu
mizu
water
koffie
koohii
koohii
koffie
bier
biiru
biiru
bier
sap
juusuju
juusu
sap
sake; alcohol
osake
osake
sake; alcohol
thee
ochao
ocha
thee
fiets
jitensha
jitensha
fiets
auto
kuruma
kuruma
auto
les
jugyou
jugyou
les
tas
kaban
kaban
tas
boek
hon
hon
boek
pen
pen
pen
pen
Is dat zo? Oh echt?
sou desu ka
sou desu ka
Is dat zo? Oh echt?
Ja he; uh uh
sou desu ne
sou desu ne
ja he uh uh
Echt?
hee
hee
Echt?
oke dan
jaa
jaa
oke dan
mag ik ….aub
~o onegaishimasu
~o onegaischimasu
mag ik …..aub
Japans
nihongo
nihongo
japans
Nederlands
orandagoor
orandago
Nederlands
Engels
eigo
eigo
Engels
~taal
~go
~go
~taal