vocabulair A retenir P24-25 Flashcards
1
Q
het verband
A
le bandage
2
Q
de (veiligheids)helm
A
le casque (de sécurité)
3
Q
het ontsmettingsmiddel
A
le désinfectant
4
Q
de handschoen
A
le gant
5
Q
de hartmassage
A
le massage cardiaque
6
Q
het gereedschap
A
l’outil (m)
7
Q
de pleister
A
le pansement
8
Q
het gips
A
le plâtre
9
Q
de verpleger, hulpverlener
A
le secouriste
10
Q
de hulpdiensten
A
les services de secours
11
Q
de brandwonden
A
la brûlure
12
Q
de wonde
A
la plaie
13
Q
de veiligheid
A
la sécurité
14
Q
de oplossing
A
la solution
15
Q
de outfit
A
la tenue (vestimentaire)
16
Q
het spoedgeval, de spoed
A
l’urgence
17
Q
het slachtoffer
A
la victime
18
Q
bewusteloos , (niet) bij bewustzijn
A
(in) conscient e)
19
Q
inslikken
A
avaler
20
Q
uitschakelen
A
débrancher
21
Q
klimmen op
A
monter sur
22
Q
flauwvallen
A
s’évanouir
23
Q
verdrinken
A
se noyer
24
Q
(zich) beschermen tegen
A
(se) protéger de
25
gebruikmaken van
se servir de
26
aanraken
toucher
27
struikelen
trébucher
28
pijn hebben aan
avoir mal à
29
in geval van
en cas da
30
het bewustzijn verliezen, flauwvallen
perdre connaissance