verlichting Flashcards
vrijheid
Het individuele recht van een persoon om invulling te geven aan zijn eigen leven (zolang anderen niet geschaad worden)
→ het niet onderworpen zijn aan de willekeurige wil van een andere persoon
gelijkheid
Iedereen is gelijk (voor de wet)
→ geen discriminatie op basis van ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, overtuiging, herkomst, …
volksoevereiniteit
De hoogste macht (= soevereiniteit) ligt bij het volk (en niet bij de koning via erfrecht)
→ het volk heeft het recht om haar eigen bestuurders aan te stellen, in een gekozen regering
constitutionalisme
Het bestuur van een land moet gebaseerd zijn (en zich houden aan) een grondwet (= constitutie)
→ de koning en de regering moeten zich houden aan hetgeen in de grondwet staat, zijnde de belangrijke rechten en vrijheden van de mensen (zoals vrijheid van mening, godsdienstvrijheid, bescherming van de privacy, …)
rechtszekerheid
Iedere mens kan rekenen op de eerbiediging van zijn rechten
→ iedereen mag zeker zijn dat het (eerlijk) recht geldt
scheiding der machten
De macht in een land wordt verdeeld over 3 instellingen: de wetgevende, de uitvoerende en de rechterlijke macht
→ de machten controleren en beperken elkaar, zodat er geen machtsmisbruik is
parlementarisme
De wetten worden gemaakt door het parlement dat bestaat uit volksvertegenwoordigers (=een representatieve democratie)
→ mensen gekozen door het volk om in hun naam te besturen vormen de wetgevende macht en controleren de regering (= uitvoerende macht) door het interpellatierecht (het stellen van kritische vragen aan de ministers) en begrotingsdebatten
Verlicht despotisme
Alles voor het volk, niets door het volk
→ de macht over een land is in handen van de koning (despotisme = absolutisme), maar deze koning moet het land besturen in het voordeel van zijn volk (= volgens de principes van de Verlichting), want het volk zelf is daartoe niet bekwaam.
tolerantie
Verdraagzaamheid
→ respect tonen voor mensen die andere politieke en godsdienstige overtuigingen hebben
deïsme
God heeft het universum geschapen, maar grijpt sindsdien niet meer in
→ de mens moet zelf oordelen over goed en kwaad, is voor zichzelf en zijn daden verantwoordelijk
antiklerikalisme
Tegen de invloed van de Kerk (de clerus) in het openbare leven, het onderwijs, de politiek, …
→ de Kerk mag zich enkel inlaten met religieuze zaken
antidogmatisme
Tegen het aannemen van dogma’s
→ onbetwistbare grondregels worden niet langer onvoorwaardelijk aangenomen
democratie
= De macht om het land te besturen (= soevereiniteit) moet volledig en alleen bij het volk liggen
→ vrije mensen beslissen of en hoe ze samen een gemeenschap vormen
republiek
Het bestuur van een land is in handen van een gekozen staatshoofd
→ het tegenovergestelde van een monarchie, waarbij het staatshoofd (= de koning) aan de macht is gekomen door erfrecht
weerstandsrecht
De regering moet besturen naar de wil van het volk
→ als het volk niet tevreden is over de het bestuur, kan het de regering afzetten
communisme
Er mag geen sociaal onderscheid zijn tussen de mensen in de samenleving
→ ongelijkheid is het gevolg van ongelijk materieel bezit, dus moet het privébezit beperkt worden en gemeenschappelijk bezit worden in een natuurstaat (= terug naar de natuur en een eenvoudig leven)
principe van de meerderheid
De stem van het grootste aantal bindt de anderen
→ de algemene wil, die vervat zit in de meerderheid, wordt wet
economisch liberalisme
Individuele economische vrijheid en vrijemarkteconomie in een economie geleid door the invisible hand
→ het particulier is vrij om economisch initiatief te nemen en de overheid beperkt haar taak tot nachtwaker
godsdienstvrijheid
De vrijheid om (in het openbaar) het eigen geloof uit te oefenen
→ het zelf kunnen kiezen om tot een godsdienst toe te treden, ze te belijden en de beoefenen
atheïsme/ humanisme
De overtuiging dat er geen goden / geen eerste oorzaak der dingen bestaan
→ een actieve verwerping van het geloof in het bestaan van God