Unit 3 - lesson 2 Flashcards
Engels - Nederlands
1
Q
At your lowest
A
Op je dieptepunt
2
Q
Clutch
A
Vastgrijpen
3
Q
Comfort
A
Troosten
4
Q
Cordially
A
Hartelijk
5
Q
Dorms rooms
A
Kamer in een studentenhuis
6
Q
Fictional
A
Fictief
7
Q
Genuinely
A
Echt, onvervalst
8
Q
Have in store
A
In petto hebben
9
Q
Key
A
Toonaard
10
Q
Launderette
A
Wasserette
11
Q
Offering
A
Geschenk
12
Q
Per
A
Volgens, overeenkomstig
13
Q
Perpetrated
A
Plegen, begaan
14
Q
Postpone
A
Uitstellen
15
Q
Presence
A
Aanwezigheid
16
Q
Supposedly
A
Zogenaamd
17
Q
Systemic
A
Systemisch, van het systeem
18
Q
Trudge
A
Sjokken
19
Q
Untouched
A
Onaangetast, onberoerd
20
Q
Vows
A
Geloften