Unit 3 - lesson 1 Flashcards
Nederlands - Engels
1
Q
Aanpakken
A
Handle
2
Q
Afwijzing
A
Rejection
3
Q
Bedoelt om zo te zijn, voorbestemd
A
Meant to be
4
Q
Bewonderen
A
Admire
5
Q
Bezorgd
A
Concerned
6
Q
Bijwonen
A
Attend
7
Q
Concentreren
A
Focus
8
Q
Doel
A
Target
9
Q
Doorzetten
A
Perserve
10
Q
Dringend verzoeken
A
Urge
11
Q
Een band opbouwen met
A
Bond with
12
Q
Een idee hebben
A
Have a clue
13
Q
Ermee doorgaan
A
To get on with
14
Q
Geslacht
A
Sex
15
Q
Gokken
A
Gamble
16
Q
In dienst hebben
A
Employ
17
Q
In tegenstelling tot
A
In contrast to
18
Q
Leiden
A
Guide
19
Q
Logboek
A
Log
20
Q
Lonen
A
Pays off
21
Q
Mislukken in
A
Fail at
22
Q
Moeilijk
A
Tough
23
Q
Onbereikbaar
A
Unreachable
24
Q
Ondanks
A
Despite
25
Q
Onrustig
A
Troubled
26
Q
Ontwikkelen
A
Evolve
27
Q
Opstijgen
A
Took off
28
Q
Rondhangen
A
Hang out
29
Q
Rondzwerven
A
Wander
30
Q
Schroot
A
Scrap
31
Q
Uitzonderlijk
A
Extraordinary
32
Q
Vernieuwend
A
Innovative
33
Q
Volledig
A
Utterly
34
Q
Waarderen
A
Value
35
Q
Woedend weglopen
A
Storm off