Unit 3 - lesson 1 Flashcards
Engels - Nederlands
1
Q
Claim
A
Beweren
2
Q
Evade
A
Ontwijken
3
Q
Grove
A
Bosje, bomenrij
4
Q
Hover over
A
Over iets zweven
5
Q
In particular
A
In het bijzonder, met name
6
Q
Learn the ropes
A
De fijne kneepjes leren
7
Q
Pointless
A
Doelloos
8
Q
Prior to
A
Voorafgaand aan
9
Q
Probe
A
Sonde
10
Q
Profound
A
Diepzinnig
11
Q
Pursue
A
Nastreven
12
Q
Reject
A
Afwijzen
13
Q
Resent
A
Kwalijk nemen
14
Q
Stick
A
Plakken
15
Q
Subscribe to
A
Ondersteunen
16
Q
Subsequently
A
Vervolgens
17
Q
Summon
A
Oproepen
18
Q
Supress
A
Onderdrukken
19
Q
Surpass
A
Overtreffen, overwinnen
20
Q
Tale
A
Verhaal
21
Q
Wit
A
Geestigheid