Trajet 2 : Parler Des Droits De L’homme Flashcards
De afschaffing
L’abolition
De inbreuk
L’atteinte
De schuld
La culpabilité
De waardigheid
La dignité
De opsluiting, de gevangenisstraf
L’emprisonnement
De slavernij
L’esclavage (m)
De onschuld
L’innocence (f)
De vrije meningsuiting
La liberté d’expression
De tegenstander
L’opposant
De tegenstand, de oppositie
L’opposition
De verdrukking
L’oppression
De vrede
La paix
Het standpunt
Le point de vue
De verzoening
La réconciliation
De vluchteling
Le réfugié
De foltering
La torture
De rechtbank
Le tribunal
Het slachtoffer
La victime
De schending
La violation
Het geweld
La violence
Schuldig
Coupable
Gelijkwaardig
Égal(e)
Onmenselijk
Inhumain(e)
Onverantwoord, ongerechtvaardigd
Injustifié(e)
Onschuldig
Innocent(e)
Vreedzaam
Pacifique
Gewelddadig
Violent(e)
Afschaffen
Abolir
Beschuldigen van
Accuser de
Het recht hebben om
Avoir le droit de
Bekennen, toegeven
Avouer
Schenden (verkrachten)
Bafouer / violer
Genieten van
Bénéficier de
Bestrijden
Combattre
Bewijzen, aantonen
Démontrer
Aanklagen
Dénoncer
Gevangenhouden
Détenir
Gevangennemen, opsluiten
Emprisonner
Oordelen
Juger
Mishandelen
Maltraiter
Schenden, inbreuk maken op
Porter atteinte à
Bewijzen
Prouver
(Zich) verzoenen
(Se) réconcilier
Behandelen
Traiter
Veilig, in veiligheid
En sécurité
Het slachtoffer zijn van
Être victime de