Traject 4 voc la famille Flashcards
De puber
L’ado
De puberteit
L’adolescence
De puber
L’adolescent(e)
De volwassene
L’adulte
De volwassenheid
L’âge adulte
De oudste
L’aîné
De schoonzoon
Le beau - fils
De schoonbroer, de stiefbroer
Le beau - frère
De schoonvader, de stiefvader
Le beau - père
De schoonouders, de stiefouders
Les beaux - parents
De schoondochter
La belle- fille
De schoonmoeder, de stiefmoeder
La belle- mère
De schoonzus, de stiefzus
La belle - sœur
De jongste
Le cadet/ la cadette
Het koppel
Le couple
De neef/ de nicht
Le cousin/ la cousine
De halfbroer/ de halfzus
La demi- frère/ la demi- sœur
De scheiding
Le divorce
De kindertijd
L’enfance
Het enig kind
L’enfant unique
Het nieuw samen- gesteld gezin
La famille recomposée
De vrouw, de echtgenoot
La femme
Het petekind/ het metekind
Le filleul/ la filleule
De tweeling
Les jumeaux/ les jumelles
De man, de echtgenoot
Le mari
Het huwelijk
Le mariage
De meter
La marraine
Het familielid
Le membre de la famille
Het overlijden, de dood
La mort
De geboorte
La naissance
De neef
Le neveu
De nicht
La nièce
De familienaam
Le nom de famille
De peter
Le parrain
De partner
Le/ la partenaire
De bejaarde
La personne âgée
Het vriendje/ het vriendinnetje
Le petit ami/ la petite amie
De kleindochter/ de kleinzoon
La petite- fille/ le petit - fils
De voornaam
Le prénom
De gepensioneerde
Le/ la retraité
De weduwnaar
Le veuf/ la veuve
Vrijgezel
Célibataire
Meerderjarige
Majeur(e)
Getrouwd
Marié(e)
Minderjarige
Mineur(e)
Oud
Vieux, vieille
Jaar oud zijn
Avoir .. ans
Scheiden
Divorcer
Verliefd zijn
Être amoureux, amoureuse
Geboren zijn
Être né
Met zijn
Être …
Lijken op
Ressembler à
Heten
S’appeler
Huwen met
Se marier avec
Zich voorstellen
Se présenter
Scheiden, uiteengaan
Se séparer