Thema 4 Flashcards
Woorden
The cloth/tissue
De doek
The furnace
Het fornuis
The Fridge
De koelkast
The knife
Het mes
The spoon
The lepel
The fork
De vork
The cutting board
De snijplank
The bowl
De kom
The plate
Het bord
The sauce pan
De steelpan
The baking pan
De koekenpan
To bake
Bakken
To cook
Koken
To stir
Roeren
To cut
Snijden
To peel
Schillen
To wash
Afwassen
To dry
Afdrogen
The waiter
De ober
Awesome
Geweldig
Pleasant
Gezzelig
Tired
Moe
Glad
Blij
Cheers
Proost
Choise
Keuze
Excellent
Uitstekend
Anything else
Nog iets
Wedding day
Trouwdag
To order
Bestellen
Damn
Verdorie
Message
Berichtje
Darling
Schat
Not yet
Nog niets
The invitation
De uitnodiging
The microwave
De magnetron
The party
Het feest
To decorate
Versieren
The decorations
De slingers
To blow up
Opblazen
Congratulations
Gefeliciteerd
The appetizers
Het hapjes
To wait
Wachten
The gift
Het cadeautje
The cake
De taart
To light
Aansteken
To get
Krijgen
To open
Openmaken
To hang
Ophangen
To celebrate
Vieren
Don’t mention it
Graag gedaan
Entree
Voorgerecht
Main dish
Hoofdgerecht
Dessert
Nagerecht
The bite
De hap
Desire
Lusten
Eating until finished
Opeten
To try
Proberen/proeven
Less and more
Minder en meer
To taste
Smaken
Healthy
Gezond
Sweet
Zoet
Sour
Zuur
Salty
Zout
Crazy about
dol op/gek op
Favorite food
Lievelingseten
The wallet
De portemonnee
The cloth
Het doek
The table cover
De tafel dekken