Past tense Flashcards
and past perfect
Vallen
viel/vielen/gevallen
Doen
deed/deden/gedaan
zwijgen
zweeg/zwegen/gezwegen
schrijven
schreef/schreven/geschreven
grijpen
greep/grepen/gegrepen
roepen
riep/riepen/geroepen
kunnen
kon/konden/gekund
rijden
reed/reden/gereden
kijken
keek/keken/gekeken
lopen
liep/liepen/gelopen
drink
dronk/dronken/gedronken
kopen
kocht/kochten/gekocht
krimpen
kromp/krompen/zijn gekrompen
zwemmen
zwom/zwommen/gezwommen
schrikken
schrok/schrokken/zijn geschrokken
schelden
schold/scholden/gescholden
kunnen
kon/konden/gekund
staan
stond/stonden/gestaat
mogen
mocht/mochten/gemogen
gaan
ging/gingen/zijn gegaan
hangen
hing/hingen/gehangen
weten
wist/wisten/geweten
zien
zag/zagen/gezien
geven
gaf/gaven/gegeven
eten
at/aten/gegeten
komen
kwam/kwamen/zijn gekomen
lezen
las/lazen/gelezen
zijn
was/waren/zijn geweest
denken
dacht/dachten/gedacht
hebben
had/hadden/gehad
kiezen
koos/kozen/gekozen
bewegen
bewoog/bewogen/bewogen
kruipen
kroop/kropen/gekropen
vliegen
vloog/vlogen/gevlogen
sluipen
sloop/slopen/geslopen
worden
werd/werden/geworden(zijn)
zeggen
zei/zeiden/gezegd
moeten
moest/moesten/gemoeten