thema 1: contextueel werken Flashcards

1
Q

eclectische bril

A

we beroepen ons op meerdere wetenschappen of methodische concepten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

basisprincipes van het systeemtheoretisch referentiekader

A
  1. inzicht krijgen in het systeem waar de cliënt deel van uit maakt
  2. inzicht krijgen in de patronen en systematische mechanismen om het disfunctioneren van mensen te begrijpen of te verklaren
  3. verandering verwachten van een persoon inclineert het benaderen van het systeem en nagaan hoe elk lid van het systeem bijdraagt tot het instandhouden van een vorm van homeostase
  4. symptoomontwikkeling; signaal van een onderliggend communicatieprobleem
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

een systeem

A

een eenheid opgebouwd uit onderdelen die met elkaar in verbinding staan en die elkaar onderling voortdurend beïnvloeden
= meer dan de som van de delen!

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

3 belangrijke kenmerken systeem

A
  1. in een systeem zijn de verschillende onderdelen afhankelijk van elkaar -> invloed op het hele systeem
  2. omgekeerd bepaalt het systeem ook in belangrijke mate het G van de delen
  3. het systeem streeft naar een homeostase: een sociaal systeem probeert steeds in evenwicht te zijn
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

informatieoverdracht systemen

A

circulaire causaliteit; wisselwerking tussen A en B; mensen beïnvloeden elkaar wederzijds = MENSELIJKE INTERACTIE

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

negatieve coalitie

A

subsysteem van 2 of meer personen in het systeem die gemeenschappelijke doelen willen bereiken maar tegelijk ook op een negatieve manier gericht zijn tegen een derde partij. de derde partij wordt buitengesloten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

perverse triade

A

hierbij gaat iemand uit een hiërarchische hogere rang zich aansluiten bij iemand van een hiërarchische lagere rang, gericht tegen een andere uit zijn/haar hogere rang

deze triade is pervers omdat de persoon tegen wie men gericht is, niet op de hoogte is van het G van de andere uit dezelfde hoog(re) rang of het wordt ontkend

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

cohesie

A

de samenhang en betrokkenheid van de leden in het systeem op elkaar

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

kluwengezin

A

grenzen in het gezin zijn vaag en onduidelijk

hele sterke interne verbondenheid in het gezin -> weinig ruimte voor persoonlijke ontwikkeling: bestaan niet als individu, maar als 1 hecht systeem

de grens tussen gezin en buitenwereld, is heel duidelijk: laten weinig invloed van buitenaf toe

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

los zand gezin

A

weinig verbinding tussen de leden van het gezin >systeem bestaat bijna niet als een systeem = zijn dus duidelijke grenzen

de grens tussen gezin en buitenwereld is vaag: veel invloed van buitenaf

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Ivan Nagy

A

grondlegger intergenerationele systeemtheorie en contextuele hulpverlening

°Boedapest in katholiek gezin -> fam is erg belangrijk!

1 vd eerste familietherapeuten

kracht van familiebanden opgemerkt in het werken met psychiatrische patiënten

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

begrip ‘context’

A

verwijst naar het netwerk van betekenisvolle relaties

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

directe familierelaties (gegeven relaties)

A

gezin waar iemand is opgegroeid of waar hij op dit moment deel vanuit maakt: vader, moeder, broers, zussen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

intergenerationele familierelaties (gegeven relaties)

A

grotere geheel en behoren ook tot de context van de persoon: grootouders, kleinkinderen, ouders,…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

gegeven relaties

A

je wordt ‘geboren’ in dit gezin of familie > relatie zijn gegeven en worden niet verbroken, ook al heb je al jaren geen contact

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

verworven relaties

A

relaties die iemand in de loop van zijn leven opdoet, die je verwerft: klasgenoten, buren,…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

combi van gegeven en verworven relaties

A

adoptie, pleegkinderen, nieuw samengesteld gezin,…

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

overdracht binnen families - 4 aspecten

A
  1. erfelijke aanleg (nature)
  2. sociale omgevingsfactoren (nurture)
  3. gewoonten en gebruiken
  4. normen en waarden
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

eerste dimensie relationele ethiek: DE FEITEN

A

objectieve gegevens die echt waar zijn en gebeurtenissen die in werkelijkheid hebben plaatsgevonden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

relationele consequenties

A

feiten hebben invloed op wat er tussen mensen gebeurt en op wat mensen wel juist of niet voor elkaar kunnen beteken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

onrecht

A

gebeurtenissen of omstandigheden die een beschadigend effect op het leven van een mens hebben

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

verdelend onrecht

A

onrecht waarvan niemand direct schuld heeft of verantwoordelijk voor is. het overkomt een mens en heeft consequenties voor zijn leven en de volgende generatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

vergeldend onrecht

A

onrecht en leed dat mensen bewust of onbewust elkaar aandoen. er is iemand verantwoordelijk voor wat er is gebeurd of is aangedaan

24
Q

relationele ethiek

A

= eigenlijke contextuele dimensie
> oog krijgen voor de manier waarop de 1e drie dimensies invloed hebben of hebben gehad op de balans tussen geven en nemen

HOEKSTEEN naggy’s benadering: rechtvaardigheid!!

25
Q

loyaliteit

A

niet afdwingbaar bindend fenomeen > een wetmatigheid; het is daar je voelt dat het er aanwezig is

speciale verbondenheid tussen mensen ogv wederkerige verdiensten en het unieke van hun relatie

trouw en betrouwbaar zijn

ALTIJD WEDERKERIG > daarom niet altijd in dezelfde mate

26
Q

existentiële loyaliteit

A
  • ontstaat bij de geboorte: doordat kind leven krijgt van zijn ouders is het aan hen loyaliteit verschuldigd

-onzichtbare draden: ouders, kinderen en kleinkinderen

  • kan niet worden verbroken, blijft bestaan
  • kan wel worden ontkent
27
Q

verworven loyaliteit

A

geeft belangrijke invloed op de kwaliteit van de loyaliteitsband

  • geven en ontvangen
  • beschikbaar zijn
  • bv met pleegouders, stiefouders,;;;
28
Q

gespleten loyaliteit (loyaliteitsconflict)

A

= spanningsveld tussen existentiële en verworven loyaliteit

cliënt moet kiezen tussen verschillende loyaliteiten > ten nadele van de andere persoon

29
Q

onzichtbare loyaliteit

A

= loyaliteit die niet openlijk kan beleefd worden of verborgen wordt

  • loyaliteitsgevoelens zijn aanwezig, maar onderdrukt EN niet gunstig voor persoonlijke ontwikkeling
30
Q

overloyaliteit

A

indien de ouders hun verdiensten zodanig benadrukken dat het kind weinig mogelijkheden heeft om een eigen leven te leiden. de ouders dwingen het kind tot tegenprestaties, hierbij zal het kind de ouders niet afvallen

de zaken die het kind uitvoert, zullen nooit voor een evenwicht zorgen!

31
Q

familie erfgoed

A

alles wat kind van zijn familie, ouders en grootouders meekrijgt
- materieel: sieraden, oude kast, woning,..

-immaterieel: waarden, normen, overtuigingen, verwachtingen,…

32
Q

legaat familie erfgoed

A

erfgoed dat recht doet aan eigen identiteit en eigenheid van het kind

= niet dwingend -> vrijheid om iets te kiezen wat bij je past

33
Q

delegaat familie erfgoed

A

dwingende opdracht waaraan een kind, ook als het volwassen geworden is, aan moet voldoen

= dwingend -> je moet iets doen wat jou keuzes ten behove gaat

34
Q

parentificatie

A

het kind geeft meer aan de ouders dan het krijgt -> neemt rol van ouder over!!

het kind gaat ‘zorgen’ voor de ouder en/of gezin

35
Q

constructieve parentificatie

A

situatie is tijdelijk en kind krijgt erkenning

de situatie is stimulerend, passend en NIET zorgwekkend

36
Q

destructieve parentificatie

A

een langdurig patroon van ongepast of te veel geven en te weinig ontvangen, waardoor de eigen ontwikkeling van het kind beschadigt raakt -> balans in onevenwicht

37
Q

actieve parentificatie

A

kind dient zich, of het wilt of niet, volwassener te gedragen dan dat het is

38
Q

passieve parentificatie

A

klein houden van het kind, bezitterige overbeschemende attitude van de ouders

39
Q

het zorgende kind (actieve parent)

A

behoeftes van de ouder voorzetten op de behoefte van zichzelf, geven vaak heel veel, ontvangen niet wat de nodig hebben

obv 3 dimensies:
- kind als ouder = praktisch

  • kind als ouder van de ouder = verantwoordelijkheid
  • kind als partner = emotioneel
40
Q

het perfecte kind (actieve parent)

A

doen er alles aan om de verwachtingen in te lossen + verliezen eigen wensen uit het oog, om die van de ouders in te vallen

41
Q

de zondebok (actieve parent)

A

bliksemafleider voor andere ‘echte’ problemen in het gezin

> kind moeilijk G stelt = schijnprobleem waardoor de oorzaken van echte problemen verdoezeld worden

42
Q

het kind dat kind moet blijven (passieve parent)

A

het kind doet zich kinderlijker voor, zodat ouder kan blijven zorgen
> stelt eigen ontwikkelingstaken uit
> ontvangt veel, kan zelf teweinig of niet geven
> kind speelt rol die ouders van hem verwachten

43
Q

contextuele interventies

A

NIET gericht op behandelen van symptoomG MAAR:
> het opbouwen van relationeel vertrouwen middels een open dialoog
> het werken aan een evenwichtige balans van geven en ontvangen
> het leren verantwoordelijk te zijn voor zichzelf en anderen

44
Q

contextuele interventies kunnen leiden tot

A

> meer persoonlijke vrijheid
meer autonomie
grotere verbondenheid

45
Q

taxatie

A

dialogisch proces:
> wederkerige belangenbehartiging en wederzijds vertrouwen
> aandacht voor zelfafbakening en zelfvalidatie

46
Q

zelfafbakening

A

het vermogen om je in een relatie af te grenzen van de ander

het besef dat je voor je eigen belangen kan opkomen, zonder de belangen van de ander te negeren

‘Ik ben mijzelf’

47
Q

zelfvalidatie

A

-> werken we naar toe in de contextuele hulpverlening

= wederzijds acceptatie: opnemen van een verantwoordelijke houding tov elkaar

= het verwerven van erkenning = existentiële waarde van hetzelf

‘ik ben van betekenis voor de ander’

48
Q

meerzijdige partijdigheid

A

= methodische grondhouding -> een houding waarin je afwisselend degene ondersteun die je op dat moment het meeste nodig hebben

= afwisselend partijdig zijn voor alle betrokkenen

49
Q

valkuilen meerzijdige partijdigheid

A
  1. TEMPO: voldoende tijd en rust nemen
    -> risico: te snel: iemand zal zich niet gezien of erkend voelen
  2. EIGEN ZIJN in thema’s die je raken als HV
    -> risico dat je intuïtief de neiging hebt om partijdig te zijn
  3. EXPLICIETE AFBAKENING
    -> maak duidelijk dat je geen partij zal kiezen
  4. KIJK NAAR DE MENS
    -> een mens is altijd meer dan wat hij heeft gedaan
    -> wees in staat om de mens te zien achter het destructief G
50
Q

erkenning geven

A

bespreekbaar en zichtbaar maken dat een cliënt onrecht heeft ervaren
het onrecht zien en belangrijk vinden om hier de aandacht op te vestigen

op twee vlakken:
> erkennen van de verdiensten
> erkennen van onrecht

uiteindelijke doel: erkenning door de context

51
Q

exoneratie

A

= ontschuldiging
= grotere doel van contextuele hulpverlening en komt vaak later in hulpverleningsproces
= niet oke wat je gedaan hebt, maar ik ga verder met het leven een ik reken het niet verder aan

juridische term: bevrijding van de wettelijke verplichting tot SV

52
Q

‘een taal erbij’

A

Marleen Diekmann = founding mother
> werken met poppetjes zodat er met een afstand naar de situatie kan gekeken worden (bv mensen die trauma hebben meegemaakt)
> helpt de taalkloof overbruggen

53
Q

kenmerken ‘een taal erbij’

A
  • zowel uitbeelden van situaties als interacties
  • bespreken van casussen op team
  • zowel in het hier en nu als in het verleden
  • de cliënt is zelf actief en betrokken
  • uitgebeelde situatie is voortdurend in beweging
  • roept soms sterke emoties op
  • samenstelling van materiaal hangt af van persoonlijke smaak, stijl en creativiteit van de HV
54
Q

toepassingsmogelijkheden ‘een taal erbij’

A
  • begeleiden van cliënten: binnen alle sectoren en alle leeftijden
  • bespreken van casussen op team
  • duiden van bevinden van het IDT naar cliënt en context
  • supervisie
  • coachen van personeel
  • link leggen tussen HV en eigen geschiedenis als mens
  • vorming
  • begleiden groepsgesprekken met ouders
  • teamcoaching - en evaluatie
55
Q

aspecten van het dialoog

A
  • geven van erkenning
  • meerzijdige partijdigheid
  • samen zoeken naar hulpbronnen
  • aanspreken op verantwoordelijkheid/actie
  • onderzoeken van de Balans tussen geven en ontvangen

bij het opstellen gebruik maken van de 3e persoon

56
Q

meerwaarde van ‘een taal erbij’

A
  • verduidelijken innerlijke en uiterlijke werkelijkheid van de cliënt
  • verduidelijken voor de cliënt hoe de begeleider het verhaal beluistert met mogelijkheid om bij te sturen
  • actie blijft bij cliënt
  • poppen kunnen dynamiek geven in de balans van de cliënt
  • meer structuur
  • eenvoudige taal van de poppen helpt moeilijke thema’s op tafel te brengen
    -nodigt uit tot concrete, directe vraagstelling van de HV
  • brengt het onderbewuste naar boven via het aanspraken van de rechter hersenhelft
  • poppen zijn de rode draad doorheen de gesprekken, scheppen herkenbaarheid, veiligheid, gemeenschappelijkheid, vertrouwen
  • verheldert bij supervisie de link van handelen als begeleider naar eigen geschiedenis als mens