T1, proposer de l'aide Flashcards
je peux vous/ t’aider
kan ik u/ je helpen
kan ik u/je helpen
je puex vous/ t’aider
vous avez/ tu as besoin d’aide
hebt u/ heb je hulp nodig
hebt u/ heb je hulp nodig
vous avez/ tus as besoin d’aide
merci c’est gentil
danku, dat is vriendelijk
danku, dat is vriendelijk
merci, c’est gentil
merci, ça peut m’aider vraiment
danku, dat kan mij echt helpen
danku, dat kan mij echt helpen
merci, ça peut m’aider vraiment
je vous/ te prête mon gsm
leen ik u/ je even mijn gsm
leen ik u/je even mijn gsm
je vous/ te prête mon gsm
je vous/ te donne un stylo
zal ik u/ je een balpen geven
zal ik u/ je een balpen geven
je vous/ te donne un stylo
il faut contacter card stop
u moet card stop contacteren
u moet card stop contacteren
il faut contacter card stop
il faut aller au bureau de police
u moet naar het politie bureau gaan
u moet naar het politie bureau gaan
il faut aller au bureau de police
non, merci. ce n’est pas nécessaire
nee danku, het is niet nodig
nee danku, het is niet nodig
non, merci c’est ne pas nécessaire
merci, mais je ne peux pas accepter
bedankt, maar dat kan ik niet aanvaarden
bedankt, maar dat kan ik niet aanvaarden
merci, mais je ne peux pas accepter
d’accord. je le fais tout de suite
oké. ik doe het direct
oké. ik doe het direct
d’accord. je le fais tout de suite