Questions Flashcards
What is your name? (3 different ways)
-Wat is jouw naam?
-Hoe heet jij?
-Wie ben jij?
How old are you?
Hoe oud ben jij?
Where do you live?
Waar woon jij?
What is your adress?
Wat is jouw adres?
What do you study?
Wat studeer jij?
Which country are you from?
Uit welk land kom jij?
Which city are you from?
Uit welke stad kom jij?
Where are you from?
Waar kom jij vandaan?
Can you spell your name?
Kan je jouw naam spellen?
Can you repeat that, please?
Kan je dat herhalen, alsjeblief?
Who?
Wie?
What?
Wat?
Where?
Waar?
How?
Hoe?
Everything okay?
Alles goed?
How are you?
Hoe gaat het me jou?
What are you eating
Wat eet jij?
Is it her book?
Is dit haar boek?
Is the pen yours?
Is de pen van u?
Which month is it now?
Welke maand is het nu?
What is todays date?
Wat is de datum vandaag?
What is your birthdate?
Wat is jouw geboortedatum?
When is your birthday? (3 ways)
-Wat is jouw verjaardag?
-Wanneer ben je jarig?
-Wanneer is het jouw verjaardag?
What is that?
Wat is dit?
What time is it?
Hoe laat is het?
What do you want to do this weekend?
Wat wil je in het weekend doen?
What are you doing tomorrow?
Wat doe jij morgen?
When does the lesson start?
Hoe laat begint de les?
Where are you going?
Waar ga jij naartoe?
Which course are you taking?
Welke cursus volg jij?
What are you doing?
Wat doe je?
Are you coming with me?
Ga je met mij mee?
Are you coming with? (hänger du med)
Ga je mee?
When do you do what?
Wanneer doe je wat?
What do you like to eat?
Wat eet je graag?
What do you like? (About food?
Wat vind je lekker?
Is everything alright?
Is alles in orde?
What are you saying?
Wat zegt u/wat zeg je?
Do you love cheese?
Hou jij van kaas?
Can we order?
Mogen wij bestellen?
What do you want to drink?
Wat willen jullie drinken?
Do they have wine?
Hebben zijn wijn?
Who is the glass of wine for?
Voor wie is het glas wijn?
Can we get the bill?
Mogen wij de rekening hebben?
Can you bring bring the bill, please?
Kunt u de rekening brengen, alstublieft?
Can we pay with card?
Kunnen wij met bankkaart betalen?