Ontwikkelingspsychologie
= Tak van de psychologie die de ontwikkeling bestudeert die ieder mens doormaakt van kind tot volwassene tot ouderdom. Onderwerp van onderzoek zijn bijvoorbeeld de verschillende levensfasen en de invloed van opvoeding en levenservaringen op het individu.
Twee belangrijke psychologen:
Taalontwikkeling (= Cognitief)
Fase 1: Brabbelen (v.a. ongeveer 1,5 maand)
- Kinderen hebben aangeboren taalverwervingssysteem (LAD: Language Acquisition Device)
Fase 2: Naming explosing (v.a. 18 maanden)
- Wat is dat?
- Woordenschat van 14000 woorden v.a. 6 jaar
Fase 3: Eén woordstadium
- Ja, nee etc.
Fase 4: Twee woordstadium
- Papa lacht of Appel groen
Fase 5: Telegramspraak
- Bal raakt, Eva huilt
Fase 6: Over generalisatie
- Slaapte
Objectpermanentie (Sensorisch/motorisch)
Cognitieve ontwikkeling (Pre-operationele stadium)
Sociaal Emotionele ontwikkeling (Theory of mind)
Sociaal Emotionele ontwikkeling (Hechting)
Pedagogische adviezen:
Eetstoornissen:
Schoolkinderen: Cognitieve ontwikkeling (Concreet-operationele periode)
Het geheugen:
Het geheugen neemt met de jaren toe
- Geheugen op lange termijn (= Kennis)
- Geheugenstrategieën:
Extern: Samenvatting maken, onderstrepen van de tekst
Intern: Herhalen, ordenen, ezelsbruggetjes
Metacognitie = Het kunnen selecteren en toepassen van cognitieve strategieën.
Executieve functies:
- Plannen en impulsen onderdrukken
Morele ontwikkeling
3 stadia van Kohlberg (Bij kinderen):
1. Preconventionele fase: Wat een kind goed of slecht vindt is gebaseerd op directe gevolgen van straf en beloning
2. Conventionele fase: Datgene wat beantwoordt aan de groepsnorm (bijvoorbeeld gezin) is goed, ongeacht de inhoud van de norm
Wat doe je thuis, hoe wordt je opgevoed?
Normen en waarden
Veranderen door uitbreiding van sociale contacten (Gezin -> vrienden)
3. Postconventionele fase: Eigen verantwoordelijkheid, op zoek naar definitie van waarden en
principes die losstaan van wat opgelegd is door autoriteiten
Morele ontwikkeling
3 stadia van Kohlberg (Bij kinderen):
1. Preconventionele fase: Wat een kind goed of slecht vindt is gebaseerd op directe gevolgen van straf en beloning
2. Conventionele fase: Datgene wat beantwoordt aan de groepsnorm (bijvoorbeeld gezin) is goed, ongeacht de inhoud van de norm
Wat doe je thuis, hoe wordt je opgevoed?
Normen en waarden
Veranderen door uitbreiding van sociale contacten (Gezin -> vrienden)
3. Postconventionele fase: Eigen verantwoordelijkheid, op zoek naar definitie van waarden en
principes die losstaan van wat opgelegd is door autoriteiten
Opvoedstijlen
Adolescentie
Adolescentie begint met de puberteit en eindigt bij volwassenheid (25 jaar). 1. Lichamelijke veranderingen 2. Cognitieve veranderingen - Je kan diepere verbanden leggen Je kan abstract denken - Beter geheugen - Reflectief vermogen o Frontaal cortex groeit t/m 24e levensjaar 3. Sociale vergaderingen - Gericht op jezelf (en spiegelbeeld) - Losmaken van ouders - Leggen van (veel) sociale contacten 4. Rijping seksuele functies - Meisjes: 9-13 jaar - Jongens: 10-14 jaar
Formeel-operationele periode (Piaget)
Neurale plasticiteit:
Veranderingen in denken en doen.
- Brein blijft groeien in volwassenheid
Sociale cognitie:
Heel erg bezig zijn met uiterlijk/verschijning.
Identity achievement:
Hoe wil je in het leven staan.
Foreclosure identity confusion:
Veranderen alles te vaak.
Relaties:
Fasen van volwassenheid: Theorie Eriksons.
Intimiteit Isolement
Zorg voor volgende generatie Stagnatie Ik-integriteit Wanhoop
-> Ik-integriteit: Dat je kan zeggen: Het is goed zo.
Verandering ouder wordende mens:
1. Biologische perspectief Uiterlijk en lichamelijke vermogens 2. Cognitief perspectief Zinvolheid van het bestaan Emotioneel stabiliteit Ervaringen werk/leven