Prepositievragen Flashcards
1
Q
een enkel hebben
A
aan
2
Q
het verstand hebben
A
aan
3
Q
zich aanpassen
A
aan
4
Q
zich ergeren
A
aan
5
Q
bewondering hebben
A
voor
6
Q
goed zijn
A
in
7
Q
discussiëren
A
over
8
Q
zich voorbereiden
A
op
9
Q
zin hebben
A
in
10
Q
afhangen
A
van
11
Q
uitkijken
A
naar
12
Q
zich aangetrokken voelen
A
tot
13
Q
aanraden
A
aan
14
Q
dol zijn = gek zijn
A
op
15
Q
geld uitgeven
A
aan
16
Q
onder de indruk zijn
A
van
17
Q
zich aanpassen
A
aan
18
Q
wennen
A
aan
19
Q
gewoon zijn = gewend zijn
A
aan
20
Q
rekening houden
A
met
21
Q
tijd doorbrengen
A
met
22
Q
zich bezighouden
A
met
23
Q
besteden tijd/geld
A
aan
24
Q
liegen
A
tegen - over
25
Q
rekenen
A
op