Perfectum Hebben Of Zijn Flashcards
Perfectum Hebben of Zijn
Gewerkt
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb hard gewerkt
Gedaan
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb het gedaan
Gegeten
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb gisteren kaas gegeten
Gedronken
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Wij hebben veel bier gedronken
Gekookt
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb het vlees gekookt
Geschreven
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Zij heeft een boek geschreven
Gelezen
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb mijn boek gelezen
Betaald
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb de rekening betaald
Gezien
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Wij hebben vandaag de film gezien
Gelopen
Hebben
(heb - heeft - hebben)
Ik heb vandaag in het park gelopen
Gegaan
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Ik ben het strand gegaan
Gekomen
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Zij is vandaag naar huis gekomen
Begonnen
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
De film is begonnen
Gebleven
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Ik ben het feest niet gebleven
Opgestaan
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Ik ben op zes uur opgestaan
Gevallen
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Zij is de fiets gevallen
Geworden
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Ik ben vanavond moe geworden
Verhuisd
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Zij zijn vorige jaar verhuisd
Geweest
Zijn
(ben - bent - is - zijn)
Ik ben vorige week naar Schotland geweest
Gehad
Hebben
(heb - heeft - hebben)
je hebt er al eerder een gehad, niet?
Gestudeerd
Hebben
(Heb, heeft, hebben)
Ik heb elke dag gestudeerd.
Ik heb met flashcards gestudeerd.