NL To EN-1to6 Flashcards
Vocabulary
De boodschappen
Groceries
Waar?
Where?
Alles
Everything
Ik heb nodig
I need
Weet
Know
iets / wat
Something
Die
That, who
Iemand
Someone
Wat
what, something
Mag
May
Nergens
Nowhere
Links
Left
Rechts
Right (opposite of left)
Misschien
Maybe
De ding/dingen
Things
Hoe heet je?
How are you called?
Wie?
Who?
Wat?
What?
Wat zegt u?
Pardon?
Uit
From (location)
Uit welk land kom je?
From which place are you from?
Waar komt u vandaan?
Where are you from?
Woon (wonen)
Live (abitare)
Welk/Welke?
Which?
Achternaam
Surname
Voornaam
Name
De plaats
Place
Nederlandse
Dutch (adjective)
Nederlands
Olandese (language)
Nederland
Olanda
Nederlander
Dutch (people)
Hoe lang?
How long?
De leeftijd
Age
Waneer?
When?
Ik ben geboren op 23/3/87
I was born on 23/3/87
Woon je bij vrienden?
Do you live with friends?
Getrouwd
Married
Buiten
Outside
Een jongen van drie jaar
A boy of 3 years old
Van
Of
De zoon
Son
de dochter
daughter
de moeder
Mother
de vader
Father
de stad
city
Vanaf
From now on (time)
Tot
Until (time)
Na
After
Om
in order to \ at (time)
meest(e)
most
naar
to (location)
die
that
Van
From (time)
Duidelijk
clearly
’s ochtends
in the morning
’s middags
in the afternoon
’s avonds
in the evening
belangrijk
important
wil (willen)
want
Hij wil
he wants
al
already
iedereen
everybody
aankommen \ kommen aan
to arrive
toen
then / so / if (in the past) / when
vertrek/vetrekken
to leave
druk
busy
afgelopen
over/finished/done
halen
buy/get/pick up