EN to NL - Les 23-24 Flashcards
Halfway through
Op de helft
Since
Sinds
Chapter
Hoofdstuk
Start (Verb)
Begin/beginnen
Started (past tense)
Begonnen
About/past
Over
Still/Even
Nog
By now
Inmiddles
Topic
Het onderwerpen
Certainly/Firmly
Vast
Notice (verb)
Merk/Merken
Actually
Trouwens
Despite
Ondanks
Understand
Begrijpen
Their
hun
Fairly/Quite
Behoorlijk
More or less
Ongeveer
Explain
Verklaar
Simple
Simpel
Reason
De reden/redenen
Each
Elke
Part of that
Deel daarvan
Hardly at all
Nauwelijks
Use
Gebruik/Gebruiken
Regularly
Regelmatig
Say
Zeg/zeggen
Seems
Lijkt
Difficult (2)
Lastig/Moelijk
Little/Few
Weinig
Rule
De regel/regels
Mistake
De fout/fouten
Disappear
Verdwijnen
Such
Zulke
Over time
In de loop van de tijd
Married
Trowen
Stay
Blijven
Witness (wedding)
De getuige
Part
Deel
Mandatory
Verplicht
Civil servant
Ambtenaar
Each other
Elkaar
Meet
Ontmoet
Service(church)
De dienst
His (possessive)
Zijn
Promise (verb)
Beloven
Marrige
Huwelijken
Take care
Zorgen voor
Actually
Eigenlijk
Divorce
Scheiding
Look like
Zien eruit
How ___ looks like?
Hoe ziiet ___eruit
First of all
Ten eerste
Secondly
Ten tweede
World
Wereld
Distance
Afstand
West
West
Est
Oost
Border
Grens
Everywhere
Overal
Flat
Vlak
Mountains
Bergen (De berg)
We are proud of it
Daar zijn we trots op
Saw (Past of see)
Ik\jij\hij ZAG wij\zij ZAGEN (zien)
Low
Laag
Areas
Gebieden (Het gebied)
Is/Are located
Ligt/Liggen
Sealevel
Het zeeniveau
Dry
Droog
Keep
Houden
Piece\pieces
Het stuk\stukken
Island
Het eiland
Rivers flow
Lopen rivieren
Ships
Schepen (het schip)
Roads
Wegen (Het weg)
To form
Vormen
Danger
Het gevaar
To break
Breken
Happens\happen
Gebeurt\Gebeuren
Disaster
De Ramp
To rise
Stijgen
Few\some
Enkele
To get/become
Worden
Built (past build)
Bebouwd (Bouwen)
Increasingly
Steeds
Village
Het dorp
Grow
Groeien
Houses
Woningen
Businesses
Bedrijven
As a result
Daardoor
Lastly
Ten slotte
What do you call __?
Wat noem je ___?
Beach
Het strand
Something like that
Zoiets
Recently
Laatst
Behind
Achter
Wrong
Verkeerd
Strange
Vreemd
Feeling (noun)
Gevoel
Weird
Raar
Accident
Ongeluk
To show
Wijst
Danger
Het gevaar / gevaren
At least
Tenminste
Ticket (multa)
Boete
To take care
Zorgen
Safely
Vailig
Police station
Politiebureau
Throw a party
Geef je een feestje
Show interest
Tonen(hij toont) belangstelling
Stranger
Onbekende
explain
uitleggen (hij legt uit)
To steel
Stelen
Brake into
Inbreken
Immediately
Meteen
Nice
Aardig
Last (the past one)
Voringe
Next
Volgende
Research
Het onderzoek
To solve
Oplossen
To laugh
Lachen
Bad
Slecht
Experience
De ervaring (ervaringen)
Ago
Geleden
Police report
De aangifte
Every
Ieder