hoofdstuk 1 Flashcards
D-N F
1
Q
der Misserfolg
A
de mislukking, flop
2
Q
ehrgeizig
A
ambitieus
3
Q
scheitern
A
falen mislukken
4
Q
etwas schaffen
A
iets halen, voor elkaar krijgen
5
Q
sich nicht unterkriegen lassen
A
zich niet klein laten krijgen
6
Q
enttäuscht
A
teleurgesteld
7
Q
durchfallen
A
voor een examen zakken
8
Q
am boden zerstört sein
A
zich helemaal down voelen
9
Q
peinlich
A
genant
10
Q
der aussenseiter
A
de outsider