H1 Flashcards

1
Q

Wat is psychologie

A

Een wetenschap die gedrag bestudeerd om de interne processen te begrijpen die aan dat gedrag ten grondslag liggen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wie was Hermann von Helmholz?

A

Wetenschapper die belangrijke inzichten leverde op het gebied van zien en horen (en wiskunde/natuurkunde).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Wat heeft Hermann von Helmholz als eerste gemeten?

A

De snelheid van zenuwimpulsen in zenuwvezels (stimuleerde zenuw in poot van kikker ving verderop op; 30 m/s of 100 km/u)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat mat Fransiscus Donders (Tilburgse oogarts)?

A

Hij mat de tijd van mentale processen om de structuur van de geest te begrijpen (mentale chronometrie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat was de mentale chronometrie van Donders?

A
  1. Ppn hoort “Ki” en herhaalt “ki” zsm –> A-reactie (geen discriminatie, geen keuze)
  2. Ppn hoort “Ka, ke, ki, ko, ku” en herhaalt dit –> B-reactie (discriminatie, keuze)
  3. Ppn hoort “Ka, ke, ki, ko, ku” maar herhaalt alleen ki –> C-reactie (discriminatie, geen keuze)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Waarvoor wordt additieve factoren logica (Donders) nu voor gebruikt?

A

In fMRI onderzoek waar breinactiviteit tijdens een experimentele taak (kijken naar gezichten) wordt afgetrokken van een controletaak (kijken naar huizen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wie bedacht de Evolutietheorie?

A

Charles Darwin

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is de evolutietheorie van Darwin?

A

Levende wezens zijn resultaat van aanpassingsproces aan veranderende omstandigheden. Mens uit dier geëvolueerd. (genetische variatie, natuurlijke selectie, ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat dachten de mensen voor de evolutietheorie van Darwin?

A

Mens heeft ziel die niet verbonden is met rest van de wereld en niet onderworpen is aan aardse wetmatigheden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wie was Wilhelm Wundt?

A

Opende 1e laboratorium voor experimentele psychologie aan universiteit van Leipzig. Staat aan basis van wetenschappelijke psychologie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Waar geloofde Wundt in en waar staat dit voor?

A

Structuralisme: Onderzoek in Psychologie moet zich richten op de “onmiddellijke ervaring”. Die hangt af van:
- sensaties
- mentale beelden/herinneringen
- gevoelens

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat hebben Alfred Binet en Théodore Simon ontdekt?

A

Eerste bruikbare intelligentietest (vader van toegepaste psychologie)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Waar geloofde William James in en waar staat dit voor?

A

Functionalisme: Psychologie diende om onderwijs te optimaliseren, gevaarlijke afwijkingen opsporen en
behandelen, bevorderen van industriële productie.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Waar geloofde John Watson in en waar staat dit voor?

A

Behavioristen: psychologie wetenschappelijker maken –> enkel observeerbaar gedrag bestuderen (gedrag is gevolg van eenvoudige Stimulus-Respons koppelingen)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat deed Skinner?

A

Leerprocessen bij dieren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waar geloofde Sigmund Freud in en waar staat dit voor? –> meest geciteerde psycholoog

A

Psychoanalyse: Bewustzijn en gedrag zijn slechts oppervlakkige fenomenen.
Onbewuste krachten (seks en agressie) zijn de oorsprong van ons gedrag, en verantwoordelijk voor persoonlijkheidsverschillen en mentale stoornissen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wie waren de Gestalt psychologen?

A

Max Wertheimer, Wolfgang Köhler en Kurt Koffka

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat was de kerngedachte van de Gestalt psychologen?

A

Het geheel is meer dan de som der delen

19
Q

Waar waren de Gestalt psychologen het niet mee eens?

A

Zij verzetten zich tegen Wundt’s structuralisme (perceptie is meer dan sensatie) en tegen behaviorisme (complex gedrag is meer dan de som der componenten).

20
Q

Wat gebruikten de Gestalt psychologen als bewijs voor hun stelling en waar staat dit voor?

A

apparente beweging: twee lampjes met juiste timing/afstand oplichten –> lijken te bewegen als 1 lampje. De manier waarop je dit waarneemt kun je beïnvloeden met de wil.

21
Q

Op welke manieren speelt biologie een rol bij de psychologie?

A
  1. Centrale zenuwstelsel (CZS): maakt gedragingen mogelijk. Aandoeningen in CZS hebben effect op psychologisch functioneren
  2. Invloed van lichaam op geest: (staat van) lichaam kan van invloed zijn op het denken/gedragingen (honger, pijn, zonlicht, lichaamsbeweging, ‘gut-brain’ (brein-darm-interacties).
  3. Erfelijkheid: Eigenschappen kunnen erfelijk zijn, tweelingenonderzoek, adoptiestudies, stamboomonderzoeken (IQ, persoonlijkheid, ADHD)
  4. Evolutie: Bepaalde gedragingen kunnen worden begrepen vanuit menselijke evolutiegeschiedenis (bijv. partnerkeuze).
22
Q

Wat is Cognitieve psychologie?

A

Menselijk gedrag begrijpen en voorspellen met informatie-verwerkende cognitieve processen die zich in de hersenen afspelen

23
Q

Wat ontkenden Behavioristen (Watson)?

A

Het bestaan van ‘cognities’. Zij wilden gedrag bestuderen in observeerbaar gedag

24
Q

Wat bewees Tolman?

A

Het bestaan van cognities (mentale kaart). Ratten leren en gebruiken inzicht bij een doolhof.

25
Q

Wat zijn sociale factoren?

A

Mens maakt deel uit van sociale netwerken, culturele verschillen ontstaan omdat mensen zich vooral binnen één bepaalde sociale groep bevinden.

26
Q

Wat beschreef Geert Hofstede en welke zijn dit?

A

5 (later 6) dimensies waarop culturen van elkaar verschillen:
1) individu – collectief
2)macht - egalitair
3) zekerheid –laissez-faire
4) man-vrouw verschillen
5) lange –kortetermijn denken

27
Q

Wat zijn WEIRD people? (Henrich)

A

Merendeel van psychologisch onderzoek is gebaseerd op blanke personen uit de westerse wereld (Western, Educated, Industrialized, Rich and Democratic societies.

28
Q

Wat is het Nature-nurture debat?

A
  • biologische (NATURE: aangeboren, genetische karakteristieken)
  • sociaal-culturele factoren (NURTURE: omgevingsinvloeden)
29
Q

Wat zijn de man-vrouw verschillen?

A

Overschatting van biologische factoren en onderschatting van sociaal culturele invloeden.

30
Q

Wat is het Biopsychosociale model?

A

Biologische, psychologische en sociale factoren spelen een rol bij elke menselijke activiteit. Sommige genen worden slechts actief binnen een bepaald sociaal milieu

31
Q

Wat onderzochten Caspi et al?

A

Bij kindermishandeling vertonen alleen kinderen met een defect MAOA gen later agressief gedrag

32
Q

Wat zijn de verschillende onderzoekstechnieken?

A

A. Beschrijvend onderzoek (descriptief onderzoek)
B. Correlatie onderzoek
C. Experimenteel onderzoek

33
Q

Wat is beschrijvend onderzoek (descriptief onderzoek)?

A

Correcte informatie verzamelen over een onderwerp.

34
Q

Wat is Naturalistische observatie (beschrijvend ondrz)?

A

Gedrag systematisch observeren in natuurlijke context.

35
Q

Wat onderzocht Blatchford?

A

Onderzoek van klasgrootte op het gedrag/prestaties van kinderen
observatie: kleine klas = minder agressief
vragenlijst leraar: kleine klas = kind agressiever
rekentest: kleine klas = beter in wiskunde

36
Q

Wat is een Gestandaardiseerde psychologische test?

A

Test die speciaal is ontworpen om bepaalde menselijke vaardigheden en eigenschappen te meten (intelligentietest, persoonlijkheidsvragenlijst, mentale stoornissen, levenskwaliteit)

37
Q

Wat is een gevalsstudie?

A

Intensief, gedetailleerd onderzoek over één persoon of gebeurtenis (in de hoop principes te vinden die gelden voor het fenomeen in het algemeen)

38
Q

Wat is een kwalitatief onderdoek?

A

Geen getalsmatige/tabellen samenvatting. Bijv. gesprek met cliënt volledig uitschrijven en later onderverdelen in thema’s.

39
Q

Wat meet je bij correlatie onderzoek?

A

De mate waarin twee variabelen met elkaar samenhangen. In hoeverre gaan wijzigingen in ene variabele gepaard met wijzigingen in andere variabele.

40
Q

Wat geeft de Correlatiecoëfficiënt weer?

A

Getal tussen -1 en +1 welke richting en mate van het lineaire verband tussen twee variabelen aangeeft. Verder van 0 = sterker verband.

41
Q

Wat is een probleem bij correlatieonderzoek?

A

Oorzaak-gevolg niet te onderscheiden. (bv verkoop ijs en verdrinkingen –> geen causaal verband)

42
Q

Wat wordt er gemeten bij experimenteel onderzoek?

A

Onderzoeker varieert één aspect van de situatie terwijl de rest constant blijft (–> effect meten, causaal verband)

43
Q

Wat is publicatiebias?

A

Alleen onderzoek dat in overeenstemming is met
theorie wordt gepubliceerd.

44
Q

Wat is het operationaliseren van variabelen?

A

Omzetten van variabelen in concrete en meetbare handelingen.