gaswissleing, uitscheiding en afweer Flashcards

1
Q

transplantatie

A

vervangen van een aangetast weefsel of orgaan door een ander weefsel of orgaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

donor

A

iemand die een weefsel of orgaan afstaat voor transplantatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

acceptor

A

ontvanger van een weefsel of orgaan bij transplantatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

AB0-systeem

A

systeem van bloedgroepen dat onderscheid maakt tussen bloedgroepen A, B, AB en 0 (nul) op grond van twee antigenen op de celmembranen van rode bloedcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

bloedtransfusie

A

transfusie waarbij een patiënt alleen het bestanddeel van het bloed krijgt dat hij nodig heeft, meestal zijn dat rode bloedcellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

resusfactor

A

eiwit dat bij 85% van de mensen op de celmembranen van de rode bloedcellen voorkomt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

natuurlijke immuniteit

A

immuniteit die wordt verkregen als reactie op het binnendringen van een ziekteverwekker

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

kunstmatige immuniteit

A

immuniteit die wordt verkregen door bewuste blootstelling aan een antigeen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

vaccinatie

A

toediening van een stof die het afweersysteem activeert en daardoor immuniteit opwekt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

actieve immuniteit

A

immuun maken door het activeren van het afweersysteem door vaccinatie

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

passieve immunisatie

A

tijdelijk immuun maken door inspuiten van antistoffen in de vorm van een antiserum

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

aangeboren afweer

A

snelle eerste afweer, gericht tegen verschillende typen ziekteverwekkers; komt bij de meeste organismen voor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

verworven afweer

A

afweer gericht tegen één type ziekteverwekker en tegen veranderde eigen cellen; komt alleen bij gewervelde dieren voor

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

beenmerg

A

bevat adulte stamcellen waaruit verschillende typen witte bloedcellen, zoals fagocyten, mestcellen en lymfocyten ontstaan

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

lymfeknopen

A

hierin bevinden zich witte bloedcellen en wordt lymfe gezuiverd van onder andere ziekteverwekkers

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

B-cellen

A

lymfocyten die in het beenmerg zijn gerijpt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

antigenen

A

moleculen (vaak eiwitten) die zich op een celmembraan bevinden en het afweersysteem kunnen activeren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

macrofagen

A

fagocyten die binnendringende ziekteverwekkers snel onschadelijk maken

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

mestcellen

A

witte bloedcellen die zich vooral in de weefsels van de huid en slijmvliezen bevinden; geven chemische stoffen zoals histamine af bij contact met lichaamsvreemde stoffen, ziekteverwekkers of stoffen die bij een verwonding vrijkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

receptoren

A

moleculen op celmembraan van lymfocyt die één type antigeen kunnen binden

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

T-helpercellen

A

produceren bepaalde stoffen, waardoor de ontwikkeling van cytotoxische T-cellen wordt geactiveerd

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

cytotoxische T-cellen

A

gaan op zoek naar door ziekteverwekkers geïnfecteerde lichaamscellen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

plasmacel

A

maakt antistoffen tegen ziekteverwekkers

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

antistoffen

A

eiwitten die zich binden aan de antigenen van een ziekteverwekker, waardoor de ziekteverwekker onschadelijk wordt gemaakt

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

geheugencellen

A

langlevende cellen die bij een nieuwe infectie met een bekende ziekteverwekker de antigenen direct herkennen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

lichaamsvreemd

A

stoffen of cellen die niet in je lichaam thuishoren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
27
Q

lichaamseigen

A

stoffen of cellen die door je lichaam worden gemaakt of onderdeel zijn van je lichaam

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
28
Q

antibiotica

A

medicijnen die bacteriën doden of hun groei remmen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
29
Q

resistent

A

ongevoelig, bijvoorbeeld een bacterie die ongevoelig wordt door overmatig gebruik van antibiotica

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
30
Q

virussen

A

eiwitmantels met daarin een streng DNA of RNA; zijn geen organisme en kunnen alleen overleven en zich voortplanten als het lukt om een lichaamscel binnen te dringen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
31
Q

DNA-virus

A

virus dat bestaat uit een streng DNA met daaromheen een eiwitmantel

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
32
Q

RNA-virus

A

virus dat bestaat uit een streng RNA met daaromheen een eiwitmantel

33
Q

eiwitmantel

A

omhulsel van een virus met daarbinnen een streng DNA of RNA

34
Q

huid

A

orgaan dat de eerste verdedigingslinie vormt in de bescherming tegen gevaren van buitenaf

35
Q

slijmvliezen

A

vochtproducerende cellen die samen met de huid de eerste verdedigingslinie vormen in de bescherming tegen gevaren van buitenaf

36
Q

uitscheiding

A

het afvoeren van afvalstoffen door het lichaam

37
Q

longen

A

deel van het ademhalingsstelsel; orgaan in de borstholte waar gaswisseling plaatsvindt

38
Q

gaswisseling

A

opnemen van gassen uit de lucht en afgeven van gassen aan de lucht

39
Q

luchtpijp

A

buis die de keelholte met de longen verbindt

40
Q

bronchiën

A

vertakkingen van de luchtpijp waardoor lucht in de richting van de longen en terug wordt vervoerd

41
Q

longblaasjes

A

blaasjes aan de uiteinden van de fijnste bronchiolen

42
Q

diffusie

A

verplaatsing van stoffen van een plek met een hoge concentratie naar een plek met een lage concentratie

43
Q

zuurstofconcentratie (zuurstofdruk)

A

aandeel van zuurstof in een gas of vloeistof

44
Q

koolstofdioxideconcentratie (koolstofdioxidedruk)

A

aandeel van koolstofdioxide in een gas of vloeistof

45
Q

zuurstoftransport

A

transport van zuurstof; in bloed voornamelijk door binding aan hemoglobine

46
Q

hemoglobine

A

zuurstofbindend eiwitmolecuul in rode bloedcellen

47
Q

koolstofdioxidetransport

A

transport van koolstofdioxide, in bloed voornamelijk als waterstofcarbonaationen

48
Q

ademhalingsspieren

A

het middenrif, de binnenste en buitenste tussenribspieren en de buikspieren

49
Q

ventilatiebewegingen

A

ademhaling door groter en kleiner worden van de longen

50
Q

dode ruimte

A

inhoud van de bronchiën, de luchtpijp en de keel- of neusholte; wordt ongebruikt weer uitgeademd

51
Q

restvolume

A

hoeveelheid lucht die na een maximale uitademing in de longen achterblijft

52
Q

vitale capaciteit

A

hoeveelheid lucht die in één ademhaling maximaal kan worden verplaatst

53
Q

longcapaciteit

A

de vitale capaciteit plus het restvolume

54
Q

lever

A

orgaan waarin veel stofwisselingsprocessen plaatsvinden

55
Q

leverlobjes

A

zeshoekige structuren binnen de lever

56
Q

inwendig milieu

A

wordt gevormd door het bloed en de weefselvloeistof van een organisme

57
Q

gal

A

wordt geproduceerd door de cellen van de lever en bevat onder andere water en galzuren

58
Q

glucoseconcentratie

A

concentratie van glucose; wordt in het bloed min of meer constant gehouden door een regelmechanisme met insuline en glucagon

59
Q

ureum

A

stof die ontstaat in de lever door omzetting van ammoniak

60
Q

nieren

A

uitscheidingsorganen die overtollige en schadelijke stoffen uit het bloed verwijderen en urine produceren

61
Q

nierschors

A

buitenste deel van de nieren waar urine wordt gevormd

62
Q

niermerg

A

deel van de nieren waar urine wordt gevormd

63
Q

urine

A

stof die door de nieren wordt gevormd en die bestaat uit water, zouten en schadelijke stoffen

64
Q

urineblaas

A

orgaan waarin urine tijdelijk wordt opgeslagen

65
Q

niereenheid

A

deel van een nier dat voor het grootste deel bestaat uit een nierbuisje

66
Q

kapsel van Bowman

A

begin van een nierbuisje; deel met openingen die doorlaatbaar zijn voor kleine moleculen

67
Q

glomerulus

A

vertakking van de nierslagader die zich in het nierkapsel verder vertakt tot een kluwen van haarvaten

68
Q

nierbuisje

A

deel van een niereenheid waarin urine wordt gevormd; bestaat uit twee gekronkelde delen en de lis van Henle

69
Q

ultrafiltratie

A

proces waarbij een deel van het bloedplasma vanuit de haarvaten in het nierkapsel wordt geperst

70
Q

terugresorptie

A

opname van nuttige stoffen uit de voorurine via actief transport door cellen in de wand van de nierbuisjes, gevolgd door afvoer naar de bloedvaten

71
Q

reabsorptie

A

opname van nuttige stoffen uit de voorurine via actief transport door cellen in de wand van de nierbuisjes, gevolgd door afvoer naar de bloedvaten

72
Q

ADH

A

hormoon uit de hypofyse dat de doorlaatbaarheid van de celmembranen in de nierbuisjes en de verzamelbuisjes vergroot, waardoor meer water aan de voorurine wordt onttrokken

73
Q

waterhuishouding

A

regeling van de hoeveelheid water binnen het lichaam

74
Q

huid

A

grootste orgaan van het lichaam dat beschermt tegen invloeden van buiten en ervoor zorgt dat het lichaam op de juiste temperatuur blijft

75
Q

zweetklieren

A

klieren in de lederhuid die zweet produceren

76
Q

regelkringen

A

systeem dat ervoor zorgt dat een bepaalde waarde wordt hersteld of in stand gehouden

77
Q

temperatuurregulatie

A

herstellen of in stand houden van de gewenste lichaamstemperatuur door organismen

78
Q

uitwendige milieu

A

omgeving van een organisme

79
Q

zweet

A

product van zweetklieren; bestaat voornamelijk uit water en zouten