Duits - Nederlands > Duits Flashcards
het team
die Mannschaft
hoewel
obwohl
het sportveld
der Sportplatz
deelnemen
teilnehmen
de goal, het doelpunt
das Tor
de droom
der Traum
verrassen
überraschen
de vereniging
der Verein
de wedstrijd
der Wettbewerb
de toeschouwer
der Zuschauer
het begin
der Anfang
opwindend
aufregend
de entree
der Eintritt
achter
hinten
gemakkelijk
leicht
de professional
der Profi
lukken
schaffen
het spel
das Spiel
de wereldkampioen
der Weltmeister
het doel
das Ziel
fietsen
Fahrrad fahren
voetballen
Fubball spielen
aan gymnastiek doen
Gymnastik machen
naar de sportschool gaan
ins fitnessstudio gehen
hardlopen
joggen
paardrijden
reiten
zwemmen
schwimmen
zeilen
segeln
skiën
Ski fahren
dansen
tanzen
het resultaat
das Ergbenis
de basisschool
die Grundschule
het vwo
das Gymnasium
het proefwerk
die Klassenarbeit
het cijfer
die Note
de havo
die Realschule
een spreekbeurt houden
ein Referat halten
aan de beurt zijn
an der Reihe sein
het bord
dei Tafel
de gymzaal
die Turnhalle
het eindexamen
das Abitur
vermoeiend
anstrengend
het vak
das Fach
brutaal
frech
de hulp
die Hilfe
in totaal
insgesamt
moe
müde
blijven zitten
sitzen bleiben
het rooster
der Stundenplan
tekenen
zeichnen
scheikunde
Chemie
Engels
Englisch
aardrijkskunde
Erdkunde
Frans
Französisch
gesciedenis
Geschichte
wiskunde
Mathematik
muziek
musik
natuurkunde
Physik
Spaans
Spanisch
lichamelijke opvoeding
sport