Bio Flashcards
Zuurstofconcentratie
De hoeveelheid zuurstof per liter bloed
Zuurstofconcentratie
De hoeveelheid zuurstof per liter bloed
Glucoseconcentratie
De hoeveelheid glucose per liter bloed
Regelkring
Zorgt voor het handhaven van een bepaalde normwaarde in een organisme
Inwendig milieu
Wordt gevormd door het bloed en de weefselvloeistof van een organisme
Homeostase
Het in stand houden van een dynamisch evenwicht in het inwendige milieu van organismen
Negatieve terugkoppeling (negatieve feedback)
Regelkring waarin een toename van het resultaat een remming van het proces veroorzaakt
Positieve terugkoppeling (positieve feedback)
Regelkring waarin een toename van het resultaat het proces versterkt
Uitwendig milieu
Omgeving van een organisme (de binnenkant van je darmen, longen en blaas hoort hier ook bij)
Hormonen
Signaal moleculen die door hormoonklierem worden afgegeven
Hormoonklierem
Klieren die hormonen aanmaken en afgeven aan het bloed
Doelwitorgaan
Orgaan of weefsel waarvan de cellen receptoren bezitten waaraan bepaalde hormonen kunnen binden
Hormoon concentratie
De concentratie van een hormoon in het bloed
Hormoonreceptoren
Receptoren waaraan een specifieke hormoon kan binden
Endocriene klieren
Klieren die direct hun product afgeven aan het bloed
Exocriene klierem
Klieren die hun product afgeven via een afvoerbuis
Hormoonstelsel
Alle hormoonklierem in het lichaam
Hypofyse
Hormoonklierem in de hersenen die verschillende hormonen produceren waarvan sommige de werking van andere hormoonklieren beïnvloeden
Hypothalamus
Gedeelte van de hersenen dat net boven de hypofyse ligt en de verbinding is tussen het zenuwstelsel en het hormoonstelsel
Antidiuretisch hormoon (ADH)
Hormoon dat de resorptie van water in de nieren regelt bij de vorming van urine
Schildklier
Hormoonklier die schildklierhormoon (thyroxine) produceert; ligt in de hals
Schildklier hormoon (thyroxine)
Hormoon dat de stofwisseling beïnvloed en de groei en ontwikkeling bij kinderen stimuleert
Eilandjes van Langerhans
Endocriene cellen in de alvleesklier die hormonen produceren die ervoor zorgen dat de glucoseconcentratie in het bloed min of meer constant blijft
Insuline
Hormoon uit de cellen van de eilandjes van Langerhans dat cellen stimuleert glucose op te nemen uit het bloed en dat stimuleert dat glucose in lever en spieren wordt omgezet in glycogeen
Glucagon
Hormoon uit de cellen van de eilandjes van Langerhans dat stimuleert dat glycogeen in lever en spieren wordt omgezet in glucose
Glycogeen
Suiker die vooral in lever en spieren wordt opgeslagen
Epo (erytropoëtine)
Hormoon dat de productie van rode bloedcellen in het rode beenmerg stimuleert
Bijnier
Bijnier
Kapje’ boven op de nieren; bestaat uit bijnierschors en bijniermerg
Adrenaline
Hormoon dat wordt geproduceerd door het bijniermerg en een snelle kortdurende werking heeft waardoor de stofwisseling wordt bevorderd, waardoor je snel kunt handelen in een situatie van stress
Zenuwstelsel
Communicatienetwerk dat alle delen van het lichaam met elkaar verbindt
Centraal zenuwstelsel
Bestaat uit de: grote hersenen, kleine hersenen, de hersenstam en het ruggenmerg
Perifeer zenuwstelsel
Bestaat uit zenuwen die alle delen van het lichaam verbinden met het centrale zenuwstelsel
Animaal zenuwstelsel
Deel van het zenuwstelsel dat vooral de bewuste reacties en de houding en beweging van het lichaam regelt
Autonoom zenuwstelsel (vegetatief zenuwstelsel)
Deel van het zenuwstelsel dat vooral de werking van inwendige organen regelt
Prikkel
Invloed uit het milieu op een organisme
Impulsen
Soort elektrische signalen die zenuwcellen kunnen ontvangen, geleiden en doorgeven
Signaalverwerking
Proces waarbij prikkels worden verwerkt waardoor gedrag tot stand komt
Myelineschede
Ligt om (veel) axonen heen, bestaat uit de cellen van Schwann
Cellen van Schwann
Cellen die de myelineschede vormen die veel axonen omgeeft
Synaps
Plaats waar de impulsoverdracht plaatsvind
Neurotransmitters
Signaalmoleculen die worden afgegeven door zenuwcellen
Gevoelszenuwcel (sensorische zenuwcel)
Zenuwcel die impulsen geleidt van zintuigcellen (receptoren) naar het centrale zenuwstelsel
Schakelcel
Schakelcel
Zenuwcel die impulsen geleidt binnen het centrale zenuwstelsel
Bewegingszenuwcel (motorische zenuwcel
Zenuwcel die impulsen geleidt van het centrale zenuwstelsel naar klieren en spieren
Hersenschors
Buitenste grijze gedeelte van de grote en kleine hersenen
Hersenstam
Gedeelte tussen de grote hersenen en het ruggenmerg dat impulsen van de grote en de kleine hersenen naar het ruggenmerg geleidt en omgekeerd
Grote hersenen
Deel van het centrale zenuwstelsel waar impulsen van zintuigen aankomen en worden vertaald in bewuste waarnemingen en waar nieuwe impulsen ontstaan
Kleine hersenen
Coördineren alle bewegingen van het lichaam en zijn belangrijk bij het handgaven van je evenwicht
Centra in de hersenschors
Gebieden in de grote hersenen met een specialisme functie
Ruggenmerg
Ligt in het wervelkanaal en geleidt impulsen van zenuwen in de romp en ledematen naar de hersenen en omgekeerd
Reflecboog
Weg die impulsen afleggen bij een reflex
Impulsgeleiding
Het geleiden van impulsen door verschillende typen zenuwcellen
Actiefase
Wanneer de binnenkant van het celmembraan voor ongeveer 1ms een positieve lading krijgt ten opzichte van de buitenkant
Herstelfase
Periode waarin het celmembraan na de actiefase gedurende korste tijd geen impulsen kan geleiden
Sprongsgewijze impulsgeleiding
Impuls springt van insnoering naar insnoering bij een uitloper met een myelineschede doordat alleen bij de insnoeringen verandering van elektrische lading kan plaatsvinden
Glad spierweefsel
Spierweefsel in de huid en in de wand van buisvormige of holle organen dat wordt aangestuurd door het autonome zenuwstelsel en dat bestaat uit langwerpige spiercellen met elk een celkern
Spiercellen
Cellen die beweging van spieren mogelijk maken
Dwarsgestreept spierweefsel
Spierweefsel dat een rol speelt bij de lichaamsveehouding en warmteproductie en dat bestaat uit spiervezels
Spiervezel
Deel van en spier dat is ontstaan door versmelting van vele spiercellen
Pees
Bindweefsel aan de uiteinden van skeletspieren waarmee deze spieren zijn bevestigd aan het skelet
Antagonisten
Spieren waarvan de samentrekking een tegengesteld effect heeft
Langzame spiervezels
Goed doorbloede spiervezels; worden ook wel rode spiervezels genoemd, bevatten veel mitochondriën en raken niet snel vermoeid
Snelle spiervezels
Slecht doorbloede spiervezels; worden ook wel witte spiervezels genoemd, bevatten minder mitochondriën en raken sneller vermoeid
Uithoudingsvermogen
Het vermogen om gedurende lange tijd een lichamelijke inspanning vol te houden
Warming-up
Rustig begin van een training die steeds intensiever wordt, zodat de bloedsomloop en stofwisselingsprocessen worden gestimuleerd
Coolingdown
Activiteiten die ervoor zorgen dat het lichaam na het sporten weer tot rust komt, zich goed kan herstellen en die de afvoer van afvalstoffen uit de spieren bevorderen
Doping
Middelen en methoden die de sportieve prestaties van een sporter bevorderen
dynamisch evenwicht
waarden zijn niet altijd precies gelijk (constant), maar mogen ook niet te ver afwijken van de normwaarde en schommelen een beetje om die waarde heen
Zintuigen
Gevoelige organen die prikkels uit het interne en externe milieu kunnen waarnemen
Chemische receptoren
Receptoren die bepaalde moleculen uit de omgeving binden, bijvoorbeeld smaak- en reukreceptoren
Mechanische receptoren
Receptoren die een impuls afgeven als hun celmembraan buigt of uitrekt; bijvoorbeeld tast- en drukreceptoren
Tastreceptoren
Mechanische receptoren waarin een impuls ontstaat als het celmembraan wordt vervormd door lichte aanraking of druk
Temperatuurreceptoren
Receptoren in de huid waarin een impuls ontstaat door warmte of kou
Lichtreceptoren (fotoreceptoren)
Receptoren waarin een impuls ontstaat door zichtbaar licht
Pijnreceptoren
Uiteinden van bepaalde zenuwen waarin een impuls ontstaat door extreme druk, door extreme temperaturen of door chemische stoffen die vrijkomen bij beschadiging of ontsteking van weefsel
Prikkeldrempel
Drempelwaarde waarboven een prikkel een impuls veroorzaakt in een zintuigcel
Adequate prikkel
Prikkel waarvoor de prikkeldrempel van het zintuig het laagst is
Adaptatie (gewenning)
Aanpassing van de gevoeligheid van een zintuig aan een aanhoudende prikkelsterkte
Pupil
Opening in de iris
Voorste oogkamer
Ruimte tussen het hoornvlies en de iris
Achterste oogkamer
Ruimte tussen de iris en de ooglens
Netvlies
Binnenste laag van de wand van het oog met lichtreceptoren
Gele vlek
Centrum van het netvlies waarmee je het scherpst kunt zien
Blinde vlek
Plaats van het netvlies waar de oogzenuw het oog verlaat
Gezichtscentra in de hersenen
Plaats in de hersenen waar de impulsen worden verwerkt die ontstaan in het netvlies
Staafjes
Lichtreceptoren in het netvlies met een lage prikkeldrempel voor licht, waarmee je contrasten (zwart-grijs-wit) kunt waarnemen
Kegeltjes
Lichtreceptoren in het netvlies met een hoge prikkeldrempel voor licht, waarmee je kleuren en details kunt waarnemen
Optisch chiasma
Gedeeltelijke kruising van uitlopers in beide oogzenuwen, net boven de hypothalamus
Stereoscopie
Diepte zien door het vergelijken van de beelden van beide ogen in de gezichtscentra in de hersenen
Gedrag
Alle waarneembare activiteiten van een dier of mens
Adequaat gedrag
Gedrag dat de overlevingskans en fitness van een dier vergroot
Respons
Reactie van een dier of mens op prikkels
Ethogram
Objectieve beschrijving van de verschillende handelingen van een diersoort
Protocol
Protocol
Lijst van de achtereenvolgens waargenomen handelingen van een dier
Sleutelprikkel
Prikkel die een doorslaggevende rol speelt bij het vormen van bepaald gedrag
Supranormale prikkel
Prikkel die effectiever is in het oproepen van bepaald gedrag dan de natuurlijke sleutelprikkel
Gewenning
Als de kans op een reactie op een prikkel afneemt bij herhaaldelijke toediening van een prikkel
Inprenting
Wanneer dieren iets alleen leren in een bepaalde, korte periode in hun leven
Imitatie (nabootsing)
Wanneer dieren leren door het gedrag van soortgenoten na te doen
Conditionering
Stimuleren van een bepaald gedrag door positieve of negatieve ervaringen
Trial and error
Conditionering onder natuurlijke omstandigheden, dit wordt ook wel ‘proefondervindelijk leren’ genoemd
Inzicht
Wanneer een dier of mens in een nieuwe situatie de oplossing van een probleem vindt door ervaringen uit het verleden op een andere manier te combineren
Dreiggedrag
Agressief gedrag bij een confrontatie met een vijand of concurrent
Imponeergedrag
Dieren maken zich zo groot en indrukwekkend mogelijk
Verzoeningsgedrag
Handeling met signaalfunctie die de agressie van het dominante dier doet afnemen
Territoriumgedrag
Verdediging van een gebied door een individu tegen binnendringende soortgenoten
Overspronggedrag
Vertonen van gedrag uit een ander gedragssysteem met een signaalfunctie
Baltsgedrag
Onderdeel van het voortplantingsgedrag (een gedragsketen)
Bronst
Periode van paringsbereidheid bij zoogdieren
Paringsgedrag
Het gedrag tijdens de paring
Broedzorg
De zorg van ouderdieren voor hun eieren en nakomelingen