begrippen TW1 Flashcards
deviant gedrag
gedrag dat afwijkt van de heersende cultuur.
sociale controle
druk die mensen in de maatschappij op anderen uitoefenen om zich aan de heersende normen te houden.
dominante cultuur
de overheersende cultuur
subcultuur
cultuur die in sommige opzichten afwijkt van de overheersende cultuur, maar in vele opzichten toch wordt ingepast in de overheersende cultuur.
tegencultuur
cultuur die zich verzet tegen de overheersende cultuur.
etnocentrisme
het centraal stellen van de eigen cultuur bij de benadering en beoordeling van andere culturen.
referentiekader
het geheel van persoonlijke waarden, normen, kennis, ervaringen, zienswijzen en opvattingen.
cultureel relativisme
we mogen andere culturen niet beoordelen naar de waarden en normen van onze eigen cultuur, andere culturen zijn unieke fenomenen.
cultureel universalisme
er zijn bepaalde waarden en normen die voor iedereen gelden.
jongerencultuur
subcultuur van jongeren
generatieconflict
jongeren verschillen van mening met oudere generaties.
waarden
basisopvattingen, principes waar iemand belang aan hecht (bijv. trouw, waarheid, netheid).
normen
geschreven en ongeschreven gedragsregels die aangeven wat er verwacht wordt in een bepaalde situatie.
folkways
minder belangrijke normen (bijv. groeten).
mores
belangrijk geachte normen die betrekking hebben op zaken die het functioneren en voortbestaan van de samenleving onmiddellijk raken. deze normen zijn hierom vaak in wetten vastgelegd.
Collectivistische samenlevingen
Groepsbelang > individueel belang
Individualistische samenlevingen
Individueel belang > groepsbelang
extended family
familie die één grote groep is en behalve alleen ouders en kinderen ook bestaat uit ooms en tantes, grootouders, etc.
socialisatie
het proces van overdracht en verwerving van de cultuur van groep(en) en de samenleving waar mensen toe behoren.
socialisatoren
personen, organisaties en/of instellingen die ervoor zorgen dat een individu zich de cultuur van een groep of samenleving eigen maakt.
internalisatie
als mensen waarden, normen en opvattingen bewust innerlijk aanvaarden en er bewust naar leven.
vooroordelen
meningen over mensen die niet gebaseerd zijn op feiten.
stereotypen
vaststaande opvattingen over andere groeperingen, het gevolg van vooroordelen.
self-fullfilling prophecy
verschijnsel waarbij mensen zich gaan gedragen naar een stereotype over zichzelf die eigenlijk onjuist is, waardoor de juiste definitie van de situatie tenslotte onjuist wordt.
discriminatie
het onterecht verschillend behandelen van mensen of groepen op grond van zaken die in een bepaalde situatie eigenlijk niet ter zake doen.
positieve discriminatie
mensen die een achterstand hebben worden bevoordeeld.
racisme
mensen worden benadeeld t.o.v. anderen op grond van hun huidskleur.
seksisme
het achterstellen van vrouwen op grond van hun geslacht.
primaire socialisatie
socialisatie die zich afspeelt binnen kleine groepen en gemeenschappen als gezin of peergroup (leeftijdsgenoten).
secundaire socialisatie
mensen leren in formele omstandigheden hoe zij zich moeten gedragen, bijv. school, werk, kerk, etc.
tertiaire socialisatie
socialisatie die wordt overgedragen door anonieme socialisatoren, bijv. media, boeken, rolmodellen, etc.
enculturatie
het aanleren en verwerven van de cultuur van een samenleving waarin men wordt geboren.
acculturatie
het aanleren of verwerven van een andere cultuur dan die waarin iemand is opgegroeid.
nature-nurture debat
discussies over wie er verantwoordelijk is/zijn voor wie je bent: genetische factoren (nature) of socialisatoren (nurture).
hiërarchisch netwerk
de één staat hoger dan de ander -> de lageren zijn niet altijd met elkaar verbonden en kunnen elkaar alleen bereiken via een hogere netwerkpositie.
status
aanzien, mensen met een hoog status worden bewonderd door mensen met een lager status.
politieke participatie
deelnemen aan de politiek
perceptie
de manier waarop mensen zich een subjectief beeld van de situatie vormen.
maatschappelijke ladder
rangorde in de samenleving, die bepaalt wordt door wat voor werk je doet.
nationale identiteit
kenmerken die aan een heel volk worden toebedeeld.
sociale ongelijkheid
een situatie waarin verschillen tussen mensen consequenties hebben op hun maatschappelijke positie en leiden tot een ongelijke verdeling van bijv. waardering en behandeling.