6c Flashcards
1
Q
clades,cladem
A
nederlaag
2
Q
inter
A
+acc tussen
3
Q
prope
A
bijna
+acc dichtbij
3
Q
pars,partem
A
deel
4
Q
lacrima
A
traan
5
Q
vulnerant
A
(zij) verwonden
6
Q
finit
A
(hij) beeindigt
7
Q
pax,pacem
A
vrede
8
Q
facere
A
te maken
te doen
8
Q
accipiunt
A
nemen aan ontvangen verkrijgen
vernemen
9
Q
pugnare
A
vechten
10
Q
orant
A
(zij) smeken