6b Flashcards
1
Q
per
A
+acc door…heen
gedurende
door(middel van)
2
Q
postea
A
daarna, later
3
Q
rogat
A
(hij) vraagt
4
Q
perdit
A
(hij) richt te gronde
(hij) verliest
5
Q
post
A
+acc na
6
Q
extra
A
+acc buiten
6
Q
talis, tale
A
zon,zodanige,zulke
6
Q
donum
A
geschenk
7
Q
miles,militem
A
soldaat
7
Q
atque
A
en
8
Q
dux,ducem
A
aanvoerder
9
Q
donat
A
(hij) geeft
10
Q
sperat
A
(hij) hoopt
11
Q
iaciunt
A
(zij) gooien
12
Q
expugnat
A
(hij) verovert
13
Q
aurum
A
goud