Werkwoorden Frans 1 Faire/doen/maken Flashcards
1
Q
Ik doe/maak
A
Je fais
2
Q
Jij doet/maakt
A
Tu fais
3
Q
Hij/zij/men doet/maakt
A
Il/elle/on fait
4
Q
Wij doen/maken
A
Nous faisons
5
Q
Jullie doen/ u doet/ maken/maakt
A
Vous faites
6
Q
Zij doen/maken
A
Ils/elles font