Week 9 Flashcards

1
Q

Wat zijn de belangrijkste afwijkingen bij het Fetal Alcohol Syndrome (FAS)?

A

Variabel fenotype (fysiek en mentaal)

  1. Aangeboren hartafwijkingen
  2. Groeiachterstand
  3. Nier-, hersen- en skeletafwijkingen
  4. Faciale dysmorfie soms subtiel
    - korte oogspleten
    - lang en vlak philtrum
  5. Abnormale cognitieve functie
  6. Gedragsproblemen tot op volwassen leeftijd
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat is de definitie van teratologie?

A

De kennis over alle agentia die structurele schade kunnen aanrichten bij de zich ontwikkelende foetus gedurende de zwangerschap.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Vanaf welke periode zijn de volgende structuren gevoelig voor de teratogenen?
(Erg gevoelig / minder erg gevoelig)

  1. Hart
  2. Centraal zenuwstelsel
  3. Ogen
  4. Oren
  5. Lippen en middengezicht
  6. Palatum
  7. Tanden
  8. Bovenste ledenmaten
  9. Onderste ledenmaten
  10. Externe genitaliën
A

(Erg gevoelig / minder erg gevoelig)

  1. 3-6 wkn. / 6-8,5 wkn.
  2. 2,4-7 wkn. / 7 wkn->9 mnd.
  3. 3,5 wkn-3,7 mnd. / 3,7->9 mnd.
  4. 3,5 wkn-4 mnd. / 4-5 mnd.
  5. 4,3-7 wkn. / 7 wkn->9 mnd.
  6. 5,6 wkn-3,5 mnd. / 3,5-4,3 mnd.
  7. 5,7-8 wkn. / 8 wkn->9 mnd.
  8. 3,5-6,6 wkn. / 6,6 wkn-3,5 mnd.
  9. 2,6-6,9 wkn. / 6,9 wkn-4 mnd.
  10. 6,3 wkn-3,9 mnd. / 3,9->9 mnd.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat zijn de principes van Wilson?

A

Teratogeen effect is afhankelijk van:

  1. Structuur en werkingsmechanisme van de stof.
    (bv. stereoisomeer van thalidomide is onschadelijk)
  2. Dosis & duur van de blootstelling.
  3. Maternale modificatie van de dosis.
  4. Mogelijkheid de foetus te bereiken.
  5. Embryonale periode.
  6. De capaciteit van verschillende (foetale)organen om de stof te metaboliseren.
  7. Genetische gevoeligheid van het organisme.

De eindpunten zijn:

  1. Dood, malformatie, groeiretardatie en functionele afwijkingen.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat doet toxoplasmosis mbt. de zwangere?

A
  • Het is een parasiet die de placenta kan passeren.
  • Zwangeren moeten uit de buurt blijven van kattenpoep!

Foetale infectie kan resulteren in:

  1. Hydrocephalie
  2. Microphthalmie (niet goed gegroeide oog)
  3. Chorioretinitis
  4. Hersenbeschadiging
  5. Multiple overige orgaanschade en dysfunctie
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Wat is het % van ernstige afwijkingen bij toxoplasmosis in alle 3 de trimesters?

A
  1. 15-20%
  2. 25-30%
  3. 60% (waarvan 90% asymptomatisch)
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Waar kan een utero infectie met rubella in resulteren?

A
  1. Glaucoom (hoge oogdruk)
  2. Microphthalmie
  3. Cataract
  4. Hartafwijkingen
  5. Slechthorendheid
  6. Mentale retardatie

Minder frequent voorkomend
→ Skelet-, viscerale- en genitale afwijkingen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wanneer was er een rubella epidemie en wanneer de introductie van het vaccin?

A
  • Epidemie: 1935-1965
  • Vaccin: 1969
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Wat is het mechanisme voor de pathogenese van rubella?

A

2 mogelijke mechanismen

  1. Direct virale effect:
  • Het virus stopt het delen van cellen→ inhibitie van organogenese→ malformaties.
  • Veranderde organogenese resulteert in malformaties van het oog en hart.
  1. Schade door immuunrespons:
  • Een immuunrespons kan cel lysis, weefseldestructie (inc. vaatwanden) en littekenvorming door ontsteking veroorzaken.
  • Weefseldestructie leidt tot gehoorverlies, hersenafwijkingen, cataract en arteria pulmonalis stenose.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Welke afwijkingen kunnen foetaal optreden bij zwangere vrouwen met DM1?

A
  • Hartafwijkingen
  • Open rug

De wisselende suikers zijn het probleem.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat is Thalidomide (Softenon)?

A

Kalmerend middel tegen zwangerschapsmisselijkheid
(Werd vnl. gebruikt in het 1e trimester).

  • In 1961 van de markt gehaald wegens teratogeen effect.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat veroorzaakt Thalidomide (Softenon) bij de foetus?

A
  • Ernstige ledemaatsafwijkingen.
  • Afwijkingen van maag/darmstelsel, hart en nieren.
  • Afwezigheid oren.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Tot welke foetale afwijkingen kan valproaat (anti-epilepticum) zorgen?

A
  1. Subtiele gelaatsafwijkingen:
    - smal voorhoofd
    - epicanthi
    - breed/vlak neusbrug
    - korte neus
    - lang/vlak philtrum
    - kleine mond
    - dunne lippen
  2. Radiale straalafwijkingen
  3. Hartafwijkingen
  4. Ontwikkelingsachterstand
  5. Lumbosacrale neurale buis defecten
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wanneer is retinoic acid/vit. A het gevoeligst?

A
  • 3e-5e week
    (vaak voordat de vrouw weet dat zij zwanger is)
  • Reeds teratogeen bij zeer lage dosis.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Voor welke afwijkingen kan retinoic acid/vit. A zorgen?

A
  • Craniofaciale afwijkingen
  • Palatum schisis
  • Neuraalbuiseffecten
  • Cardiovasculaire afwijkingen
  • Aplasie van thymus
  • Psychologische beperkingen
  • Oorafwijkingen
  • Kleine kaak
  • Nierafwijkingen
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Waarvoor wordt retinoic acid/vit. A vaak gebruikt?

A

Middel tegen ernstige acne.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
17
Q

Wat wordt er bedoelt met de a priori kans?

A

Het risico wat iemand heeft op dragerschap van een genetische aandoening puur op basis van diens positie in de stamboom t.a.v. de persoon met bewezen mutatie, zonder daarbij rekening te houden met of tussenliggende personen klachten van de aandoening hebben of niet.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
18
Q

Wat is het verschil tussen een major en minor anomalie?

A
  • Major: afwijking die nadelig effect op gezondheid heeft.
  • Minor: minder levensbedreigend + <4% voorkomend.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
19
Q

Wat kan een aanwijzing zijn van viervingerlijn en is het een major of minor anomalie?

A

Minor
→ kan wijzen op down syndroom.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
20
Q

Wat is de kans op een major anomalie bij deze aantallen minor anomalies?
(0-3)

A
  1. 1,5 %
  2. 3%
  3. 7%
  4. > 25%
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
21
Q

Wat kan een afwijking aan het oor een aanwijzing voor zijn?

A

Een nierafwijking.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
22
Q

Wat is de definitie van een deformatie?

A

Afwijkende vorm of positie als gevolg van mechanische krachten welke inwerkten op een aanvankelijk normale structuur.

  • Kan spontane correctie optreden bij opheffing krachten.
  • Bv. te weinig vruchtwater/fetal compression.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
23
Q

Wat is de definitie van een disruptie?

A

Afwijkende vorm als gevolg van ernstige schade door extrinsieke factoren aan een aanvankelijk normale structuur.

  • Geen spontane correctie mogelijk.
  • Bv. amniotic bands, fetal brain disruption sequence.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
24
Q

Wat zijn ooraken van een disruptie?

A

Extrinsieke factoren:

  • Infectie
  • Ischemie
  • Bloeding
  • Teratogenen
  • Traumata

Diruptie is niet erfelijk maar erfelijke factoren kunnen predisponeren tot disruptie (bv. stollingsprobleem).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
25
Q

Wat is de definitie voor een malformatie?

A

Afwijking van een orgaan(deel) of lichaamsdeel ten gevolge van een reeds vanaf begin afwijkend ontwikkelingsproces.

  • Vaak genetisch
  • Bv. schisis, splithand, polydactylie.
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
26
Q

Wat is de definitie voor een dysplasie?

A

Abnormale histiogenese (organisatie van cellen naar weefsels) en de morfologische gevolgen daarvan.

  • Veel uiten zich in meerdere orgaansystemen (bindweefsel-, skeletaandoeningen).
  • Bv. osteogenesis imperfecta (skeletdysplasie)
27
Q

Wat is het doel van registratie?

A
  1. Vastellen van de frequentie van een afwijking.
  2. Evalueren van het effect van interventies.
  3. Evalueren van het effect van veranderingen in de populatie.
  4. Snelle herkenning van teratogene exposities.
  5. Etiologisch onderzoek.
28
Q

Wat is het Lareb en het TIS?

A

Het onderzoek van bijwerkingen.
→ TIS is een onderdeel hiervan dat kijkt naar de teratologie.

29
Q

Waarom registreert EUROCAT?

A
  1. Om de frequentie van aangeboren afwijkingen te bepalen.
  2. Om eventuele veranderingen in de frequentie door exogene factoren op te sporen.
  3. Om de effecten van preventieve maatregelen, erfelijkheidsvoorlichting en prenatale diagnostiek te evalueren.
  4. Voor wetenschappelijk onderzoek.
30
Q

Welk deel van de 3-5% pasgeborenen met een belangrijke aangeboren afwijking betreft een geïsoleerde afwijking en welk deel een complexe aandoening?

A
  • 2/3 geïsoleerd.
  • 1/3 complex.
31
Q

Wat is de definitie van een syndroom?

A

Een herkenbaar patroon van een aangeboren afwijking waarbij de unieke combinatie van kenmerken een onderscheid mogelijk maakt met alle andere patronen.

32
Q

Welke 3 hoofdproblemen zijn belangrijk in de syndroomdiagnostiek?

A
  1. Het voorkomen van 1 of meerdere aangeboren afwijkingen.
  2. Groeiachterstand aanwezig bij de geboorte of in de eerste levensjaren optredend.
  3. Achterstand in verstandelijke ontwikkeling.
33
Q

Noem een syndroom waarbij je “eruit en erin” kan groeien.

A
  • Eruit: Noonan syndroom.
  • Erin: Angelman syndroom
34
Q

Wat zijn de oorzaken van de volgende syndromen?

  • Congenitaal Rubella syndroom
  • Down syndroom
  • Smith-Lemli-Opitz syndroom
  • Apert syndroom
  • Fragiele X syndroom
A
  • Congenitaal Rubella syndroom: teratogeen effect.
  • Down syndroom: chromosoom afwijking.
  • Smith-Lemli-Opitz syndroom: stoornis in het cholesterolmetabolisme, AR.
  • Apert syndroom: vrijwel altijd nieuwe mutatie, AD.
  • Fragiele X syndroom: X-gebonden, repeat verlenging.
35
Q

Wat voor een expressie heeft het Collins syndroom?

A

Variabele expressie

TCOF1 gen op 5q31

36
Q

Wat is de definitie van genetische penetrantie?

A

Het percentage individuen dat een aandoening tot expressie brengt; van de meest geringe symptomen tot de ernstigste vorm.

37
Q

Hoe is de penetratie en expressie van het Marfan syndroom?

A
  • Hoge penetratie
  • Zeer variabele expressie
38
Q

Benoem van achondroplasie (dwerggroei) de:

  • Genmutatie
  • Penetratie
  • Expressie
A
  • Genmutatie: FGFR3 gen (gly380arg).
  • Penetratie: hoog
  • Expressie: gering variabel
39
Q

Benoem van het Muenke syndroom de:

  • Genmutatie
  • Penetratie
  • Expressie
A
  • Genmutatie: FGFR3 gen (pro250arg)
  • Penetratie: verminderd
  • Expressie: gering variabel
40
Q

Welk overervings patroon heeft dystrophia myotonica/ziekte van Steinert?

A

CTG repeat met anticipatie (wordt ernstiger de opeenvolgende generaties).

41
Q

Wat wordt er bedoeld met locus- of genetische heterogeniteit?

A

1 ziektebeeld, meerdere genen.

42
Q

Noem een voorbeeld van een ziekte met heterogeniteit:

A

Noonan syndroom

  • PTPN11-gen (50%)
  • SOS1-gen (20%)
  • KRAS-gen (5%)
  • Andere genen
43
Q

Wat wordt er bedoelt met allelisch?

A

1 gen, meerdere ziektebeelden.

44
Q

Noem een voorbeeld van allel dat allelisch is:

A

FGFR3-gen

  • Thanatophore dysplasie
  • Syndroom van Crouzon met acanthosis nigricans
  • Achondroplasie
  • Hypochondroplasie
  • Syndroom van Muenke
45
Q

Wat is de definitie van associaties?
Noem een voorbeeld:

A

Vaker dan op basis van toeval in combinatie met elkaar optreden van 2 of meer aangeboren afwijkingen.
Deze combinatie van aangeboren afwijkingen vormt voor zover bekend geen sequentie of syndroom.
__________________________________________________
Acronym: VACTERL-H

  • Vertebral defects
  • Anal atresia or stenosis
  • Cardiac defects
  • Tracheo-Esophageal fistula
  • Radial defect and Renal anomalies
  • Non-radial Limb defects
  • Hydrocephalus
46
Q

Waar staat het acronym MURCS voor (mbt. associaties)?

A
  • Mullerian duct aplasie
  • Renal aplasie
  • Cervicothoracic Somite dysplasie
47
Q

Wat is de definitie van sequenties?

A

Een combinatie van aangeboren afwijkingen welke, in 1 of meerdere cascades, voortvloeien uit 1 enkele initiële aangeboren afwijkingen of mechanische kracht.

48
Q

Noem een voorbeeld van een sequentie:

A

Robin sequentie

Micro/retrognatie (kleine/terug getrokken onderkaak)→ verplaatsing van de tong naar achteren→ voorkomt sluiting van het zachte gehemelte→ U-vormige schisis

49
Q

Wat valt er onder de trias Pierre-Robin sequentie?

A
  1. Micro/retrognatie (kleine/terug getrokken onderkaak)
  2. Glossoptosis (naar buiten hangende tong)
  3. Ademhalingsproblemen (OSAS)
50
Q

Waarom heeft MRI de voorkeur boven CT bij kinderen?

A

Vanwege de röntgen straling

51
Q

Wat zijn de stappen die je verwacht te zien bij Necrotiserende enterocolitis (NEC)?

A
  • Verloopt in stadia
  • Bolle buik met meteorisme (veel lucht in spijsverteringsstelsel).
  • Darmwandverdikking
  • Pneumatosis intestinalis (lucht in de darmwand)
  • Pneumoportogram
  • Vrije of gelocaliseerde lucht (afgedekte perforatie)
  • Ascites (troebel)
  • Verstoorde luchtpassage waardoor lucht in het rectum ontbreekt.
52
Q

Welk beeldvormend onderzoek wil je verrichten bij Necrotiserende enterocolitis (NEC)?

A

Buikoverzichtfoto (röntgen)

53
Q

Wanneer gebruik je de volgende technieken?

  1. Verticale stralengang bij voorachterwaarts projectie.
  2. Horizontale stralengang bij zijdelingse projectie.
A

Verticale stralengang bij voorachterwaarts projectie:

  • Luchtdistributiue
  • Patroon van dilatatie

Horizontale stralengang bij zijdelingse projectie:

  • Lucht-vloeistof spiegels: obstructie.
  • Vrije lucht: perforatie.
  • Onderscheid dunne vs dikke darm
54
Q

Waar duidt galg braken op?

A

Een obstructie.
→ Galg kan niet naar beneden worden afgevoerd dus gaat omhoog.

55
Q

Wat heb je nodig bij beeldvorming om een obstructie in kaart te brengen?

A

Contrast→ alleen niet handig.
Röntgen foto’s
+ als nodig echo voor de chirurgen.

56
Q

Waar moet je aan denken bij een obstructie bij kinderen die galg braken?

A

Malrotatie (verkeerde ligging darm) en Volvulus (draaiing darm)

Volvulus is 1 van de weinige urgenties in de pediatrische GE; uitstel van diagnose kan leiden tot diffuse darmwandnecrose en zelfs dood.

57
Q

Welk onderzoek wordt er gedaan om een malrotatie aan te tonen?

A

Pap/passage onderzoek (contrast)

  • Maagdram passage
  • Abnormale positie van de duodenojejunale junctie
    (DJJ → lig. van Treitz)
  • Dunne darmlissen liggen in de rechter bovenbuik.
58
Q

Wat is de DD en beeldvormend onderzoek voor de volgende (typische!) casus:

  • Jongen van 4 wkn.
  • Sinds 3 dagen excessief braken direct na het drinken (projectiel braken), soms wel een meter ver.
  • Blijft hongerig.
A
  • Pylorusstenose/-hypertrofie
    → Lucht kan niet makkelijk de maag uit→ maaguitzetting.
  • Echo

FA belangrijk: meestal heeft vader dit ook gehad.

59
Q

Wat is de DD en beeldvormend onderzoek voor de volgende (typisch voor de leeftijd! 0,5-5 jr) casus:

  • Jongen van 2 jaar.
  • Sinds halve dag intermitterend buikpijn.
  • Pijn in aanvallen (duur ca. 10 min).
  • Tijdens aanvallen bewegingsdrang.
  • Vorige 2 weken diarree gehad.
A
  • Invaginatie
    (dunne darm schuift in dikke darm)
  • Echo (rechter onderbuik)
  • Behandeling: contrast onderzoek om invaginatie ontdaan te maken (omgekeert contrast inspuiten).
60
Q

Welk beeldvormend onderzoek verricht je bij appendicitis?

A

Echo (prima te zien, niet makkelijk)

  • Door verkalkte steen, vochtophoping in appendix.

Bij kinderen geen CT (want geen vet) dus MRI!

61
Q

Wat zijn oorzaken voor cyanose bij zuigelingen?

A

Aangeboren hart afwijkingen (AHA)

  • Verkeerde aansluitingen
  • Intracardiale menging O2 rijk en O2 arm bloed
  • Onvoldoende longdoorbloeding

Pulmonaal

  • Onvoldoende ventilatie
  • Onvoldoende functionerend longweefsel
62
Q

Welke 2 soorten cyanose hebben we?

A

Centraal

  • Arteriële bloed onderverzadigd met O2.
  • Cyanose van slijmvliezen/tong/nagelbed.

Perifeer

  • Normale O2-saturatie arteriële bloed.
  • Verhoogde O2-extractie in weefsels.
  • Blauwe, vaak koude, acra.
63
Q

Wat is er aan de hand bij een AHA met cyanose?

A
  • Te weinig longdoorbloeding.
  • Intracardiale menging.
64
Q

Waar kan je aan denken als het gaat om cyanose met verminderde longflow?

A

Obstructie van bloedstroom naar de longen

  1. Tricuspidalisatresie
  2. Hypoplastische RV
  3. Infundibulaire pulm. stenose
  4. Pulmonalisatresie

Shuntmogelijkheid!