Week 4 Flashcards
binnen
inside
buiten
outside
beneden
downstairs
boven
upstairs
thuis
at home
geen
kein
herfst, najaar
autumn
lente, voorjaar
spring
anders
otherwise
beloven
to promise
het bad
bath
het Engels
English
eten
to eat
de fiets
bicycle
gevaarlijk
dangerous
het kantoor
office
laten
to let, to leave
de mens
person
met
with
morgen
tomorrow
het Nederlands
Dutch
op
on, in
de poes
cat
de rust
rest, peace
spelen
to play
het strand
beach
stoppen
to stop
studeren
to study
vandaag
today
het vlees
meat
weten
to know (a fact)
de zee
sea
zeuren
to whine, to nag
zoet
sweet, good
zwemmen
to swim
inside
binnen
outside
buiten
downstairs
beneden
upstairs
boven
at home
thuis
kein
geen
autumn
herfst, najaar
spring
lente, voorjaar
otherwise
anders
to promise
beloven
bath
het bad
English
het Engels
to eat
eten
bicycle
de fiets
dangerous
gevaarlijk
office
het kantoor
to let, to leave
laten
person
de mens
with
met
tomorrow
morgen
Dutch
het Nederlands
on, in
op
cat
de poes
rest, peace
de rust
to play
spelen
beach
het strand
to stop
stoppen
to study
studeren
today
vandaag
meat
het vlees
to know (a fact)
weten
sea
de zee
to whine, to nag
zeuren
sweet, good
zoet
to swim
zwemmen
zich amuseren
to amuse oneself
zich gedragen
to behave
zich haasten
to hurry
zich herinneren
to remember
zich verbazen
to be amazed
zich vebeelden
to imagine
zich vergissen
to be mistakenm, to be wrong
zich vervelen
to be bored
aan
to, at
afrekenen
to pay the bill
de appeltaart
apple cake
het cadeau
present, gift
druk
busy
ik heb het druk
I am busy
eigenlijk
actually
fris
fresh
geven
to give
kopen
to buy
de koffie
coffee
het kopje
cup
krijgen
to receive, to get
lekker
nice, tasty
metten
immediately
het mobieltje
mobile phone
de middag
afternoon, midday
nemen
to take
niets
nothing
nog een
another
de ober/de serveerster
waiter/waitress
ook nog
as well
ontzettend
very, extremely
smaken
to taste
het stuk
piece
het terrasje
terrace
de thee
tea
van
of, from
de zon
sun