Week 1 Flashcards

1
Q

Wat is de ziektelast van determinanten van gezondheid?

A

In gedrag, persoonsgebonden, arbeid en milieu
Vhnl:
- roken
- ongezonde voeding
- hypertensie en hoge bloedsuikerspiegel
- overgewicht en buitenmilieu
- stoffen/omgeving
- weinig bewegen
- alcohol
- cholesterol en psychische belasting
- fysieke belasting en lage botdichtheid
- binnenmilieu

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Wat zijn DALY’s?

A

Disabilty adjusted life year= YLD(years lived with disability) + YLL(years life lost)
YLD= jaren met ziekte x ziektelast
YLL= gem levensverwachting - leeftijd van sterven

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Hoe veroorzaken aandoeningen een hoge ziektelast?

A
  • Hoge incidentie sterfte
  • sterfte op relatief jonge leeftijd
  • hoge prevalentie beperkingen en handicaps
  • ernst beperkingen en handicaps
    Vaak combi
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

Wat is de levensverwachting?

A

= aantal jaren dat pasgeborenne kan verwachten te leven
- gezonde levensverwachting: zonder chronische ziekte/beperking, in goede ervaren gezondheid
- verschillen: hoger opgeleide vrouwen hebben langere gezonde levensverwachting, vrouwen 3jr langer dan mannen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Wat zijn incidentie en prevalentie?

A

Incidentie= aantal nieuwe gevallen in periode
Prevalentie= aantal bestaande gevallen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Hoe werkt doodsoorzaakverklaring?

A
  • onderliggende/primaire doodsoorzaak identificeren: gebruikt voor statistiek(CBS)
  • 1a: ziekte die rechtstreeks dood tot gevolg had
  • 1b/c: aandoeningen die tot rechtstreekse doodsoorzaak hebben geleid
  • 2: comorbiditeiten
  • ICD codes
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Wat is het ICF model?

A
  • biopsychosociaal model voor beschrijven functioneren en functioneringsproblemen
  • op iedereen van toepassing, etiologisch neutraal en verschillende doeleinden
  • wisselwerking tussen componenten
    Onderdelen
  • aandoeningen/ziekten
  • stoornis, activiteitsbeperkingen en participatieproblemen
  • externe(+/-) en persoonlijke factoren
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Wat is planetary health?

A
  • impact van door mensen veroorzaakte veranderingen in natuurlijke systemen op aarde op gezondheid
  • klimaatverandering, verlies aan biodiversiteit
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Hoe is er ongelijkheid in klimaatverandering?

A
  • rijke landen hebben meeste bijgedragen maar minste impact(mitigating factors zoals middelen en beleid)
  • kwetsbare groepen(kinderen, ouderen, mensen van kleur etc) harder getroffen
  • ook in NL ongelijkheid
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Wat zijn de effecten van klimaatverandering op gezondheid?

A

Direct
- hitte: hittestress, luchtwegaandoening en HVZ erger
- extreem weer
- luchtvervuiling: toename HVZ, astma/COPD en hypertensie
- infectieziekten: vectoren verspreiden door stijgende temperatuur, verandering neerslag en overstromingen
Indirect: voedselonzekerheid, mentale gezondheid en migratie, onrust en ontheemding

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Wat zijn mitigatie, adaptie en co-benefits?

A

Mitigatie= voorkomen verdere klimaatverandering
Adaptie= verminderen kwetsbaarheid voor effecten van klimaatverandering
Co-benefits= dingen die goed zijn voor milieu zijn ook goed voor gezondheid

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Wat zijn planetaire grenzen?

A
  • veilige druk die mensen kunnen zetten op 9 processen
  • over grens: kantelpunt -> onherstelbare schade
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Wat is de populatie attributieve fractie(PAF)?

A
  • welk deel alle ziektegevallen in algemene bevolking is toe te schrijven aan bepaalde risicofactor
  • afhv prevalentie risicofactor en RR hebben van risicofactor op uitkomst
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

Wat is een casusdefinitie?

A
  • welke symptomen en kenmerken iemand moet hebben om binnen een ziektebeeld waar een mogelijke uitbraak van is te vallen
  • plaats, tijd en persoon
How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Wat is een epidemie?

A

= optreden ziektegevallen of andere gezondheidsgerelateerde gebeurtenis in duidelijk hogere frequentie dan verwacht
- achtergrondfrequentie ziektebeeld moet dus bekend zijn

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Welke informatie wil je weten om de bron van een uitbraak aan te wijzen?

A
  • een piek in gevallen op 1 dag duidt op een enkele oorzaak
17
Q

Wat is Rose’s paradigma/preventieparadox?

A

Als risico op ziekte stijgt met toenemende blootstelling en lage niveaus van blootstelling veel voorkomen in populatie, dan dragen personen met klein risico meer bij aan ziektelast, dus is populatiebenadering in preventiebeleid logischer
Preventieparadox= preventieve maatregelen op populatieniveau geven grote gezondheidswinst maar doen relatief weinig voor elk individu

18
Q

Hoe kun je preventie indelen obv ziekte?

A
  • Primair: nieuwe gevallen ziekte voorkomen door wegnemen/verminderen onderliggende oorzaak → populatiebenadering
  • Secundair: opsporen ziekte in vroeg stadium via screening → hoogrisico benadering
  • Tertiair: voorkomen/beperken gevolgen vastgestelde ziekte
19
Q

Hoe kun je preventie indelen obv aangrijpingspunt?

A
  • gezondheidsbescherming: aanpak omgeving om kans op blootstelling te verkleinen
  • Gezondheidsbevordering: gezond gedrag stimuleren(nudging)
  • Ziektepreventie: infectieziekten voorkomen
20
Q

Hoe kun je preventie indelen obv doelgroep?

A
  • Universeel: gezondheid algemene bevolking actief bevorderen en beschermen
  • Selectief: in bevolkingsgroepen met verhoogd risico voorkomen dat mensen ziek worden
  • Geïndiceerd: voorkomen dat aandoening erger wordt bij mensen met beginnende klachten
  • Zorg gerelateerd: bij individuen met ziekte complicaties en beperkingen voorkomen
21
Q

Wat is de waarde van werk?

A
  • Sociale contacten
  • Tijdverdrijf
  • Inkomen
  • Voldoening
  • Ontwikkeling
  • Identiteit
  • Status
  • Identificatie met bedrijf(en andersom)
22
Q

Welke wetgeving is er op het gebied van werk?

A
  • arbowet: goede en gezonde arbeidsomstandigheden
  • wet arbeid en zorg: combi werk en zorgtaken, zwangerschaps- en bevalingsverlof, zorgverlof
  • arbeidstijdenwet: uren per week, kinderarbeid, nachtwerk
23
Q

Wat zijn de 3P’s en 6A’s?

A

3P’s: persoonlijkheid, privefactoren en persoonlijke werkwijze
6A’s: arbeidsomstandigheden, -verhoudingen, -perspectief, -zingeving, -inhoud en -voorwaarden

24
Q

Wat doet een bedrijfsarts?

A
  • werkt samen met veiligheidskundige, arbeidshygiënist en A&O kundige in arbodienst
  • ingezet bij ziekte door arbeidsomstandigheden, ziekteverzuim en gezondheidsmangement
  • beroepsgeheim: info mag niet met werkgever gedeeld worden en specialist mag alleen met toestemming aan bedrijfsarts info geven
  • werkzaamheden: individuele arbeidszorg(werken als medicijn), preventie, arbobeleid