Vocabulary 5 Flashcards
music
de muziek
violin
de viool
flute
de dwarsfluit
sound, noise
het geluid
instrument
het instrument
musical note
de muzieknoot
chord; agreement
het akkord
to play (an instrument)
bespelen
note (in music); nut
de noot
camera
de camera
film; movie
de film
photograpy
de fotografie
hobby
de hobby
image; picture
de afbeelding
to film
filmen
photo
de foto
to take photos
foto maken
fashion
de mode
poetry
de poëzie
literature
de literatuur
theatre
het theater
dance
de dans
style; look
de stijl
song
het lied
band
de band
collection
de collectie
concert
het concert
opening
de opening
music festival
het muziekfestival
art; the arts
de kunst
painter
de schilder
the Golden Age
de Gouden Eeuw
painting
het schilderij
museums
de musea
paint
de verf
canvas
het doek
to paint, to dye
verven
paintbrush
het penseel
player
de speler
ball
de bal
team; party
de ploeg
to go for a walk
wandeling maken
game
het spel
sport; sports; exercise
de sport
to throw
gooien
goal; objective; purpose
het doel
football; soccer
het voetbal
to score
scoren
tennis
het tennis
basketball
het basketbal
korfball
het korfbal
(have) scored
(hebben) gescoord
to play tennis
tennissen
to play football
voetballen
to jump
springen
to kick
schoppen
hockey
het hockey
volleyball
het volleybal
coach
de coach
racket; racquet
het racket
to exercise
sporten
championship
het kampioenschap
gym
de sportschool
marathon
de marathon
athletes
atleten
athlete (male)
de atleet
athlete (female)
de atlete
to skate; to ice skate
schaatsen
game; match; competition; contest
de wedstrijd
(have) won
(hebben) gewonnen
to win
winnen
to run a marathon
marathon lopen
defender
de verdediger
to head (a ball); to hit with the head
koppen
to fierljep (a Frisian sport using poles to jump rivers/canals)
fierljeppen
the goalkeeper
de doelman
midfielder
de middenvelder
referee; umpire
de scheidsrechter
cricket (the sport of)
het cricket
(have) fierljepped
(hebben) gefierljiept
tired
moe
disappointed
teleurgesteld
excited
opgewonden
emotion
de emotie
angry; mad
boos
feeling
het gevoel
happy; cheerful
vrolijk
confused
verward
happy, lucky
gelukkig
irritated; annoyed
geïrriteerd
worried; concerned
bezorgd
surprised
verrast
shocked; started; frightend
geschrokken
sad; distressed
bedroefd
to be sure; to be certain
weten het zeker
shy
verlegen
nervous
zenuwachtig
confident
zelfverzekerd
proud
trots
anxious
ongerust
ashamed; embarrassed
beschaamd
curious
nieuwsgierig
exhausted
uitgeput
vulnerable, attackable
kwetsbaar
uncertain; unsure; insecure
onzeker
lonely; alone
eenzaam
in love
verliefd
glad, happy
blij
breathless
ademloos
hopeless
hulpeloos
stubborn; headstrong
koppig
guilty
schuldig
motivated
gemotiveerd
jealous; envious
jaloers
patient
geduldig
desperate
wanhopig
cosy; convivial; fun
gezellig
safe; secure
veilig
fascinated
gefascineerd
happy; content; satisfied
tevreden
insulted
beledigd
laboratory
het laboratorium
science
de wetenschap
research
het onderzoek
experiment
het experiment
technical
technisch
the university of technology
de technische universiteit
chemicals
de chemicaliën
litre
de liter
speed
de snelheid
unit
de eenheid
volume
het volume
to amount to; to number
bedragen
kilogram
de kilogram
weight
het gewicht
depth
de diepte
distance; space
de afstand
matter
de materie
mass
de massa
weighing scales
de weegschaal
to weigh; to consider
afwegen
sample; monster
het monster
to weigh
wegen
concept
het concept
technique
de techniek
method
de methode
discovery
de ontdekking
theory
de theorie
height, level, elevation
de hoogte
to measure
meten
formula
de formule
electricity
de elektriciteit
electrical
elektrisch
scientist
de wetenschapper
cycle
de cyclus
surface
de oppervlakte
conclusion
de conclusie
microscope
de microscoop
to increase; raise
verhogen
magnet
de magneet
to reduce; to decrease
verminderen
petri dish
de petrischaal
telescope
de telescoop
to view; to observe; to look; to see
bekijken
dollar
de dollar
price
de prijs
cent
de cent
money
het geld
till; cash register; checkout counter
de kassa
curency
de valuta
euro
de euro
gold
het goud
insurance
de verzekering
economy
de economie
sale; bargain
de uitverkoop
sale; transaction
de verkoop
demand and supply
vraag en aanbod
supply; offer
het aanbod
on sale
in de uitverkoop
trade; business
de handel
consumer; user
de consument
credit card
de creditcard
(have) stolen
(zijn) gestolen
stock market; wallet
de beurs
value; worth
de waarde
economic
economisch
debt; fault; blame
de schuld
company; business
het bedrijf
business; matter; thing; affair
de zaak
branch (of a company)
het filiaal
headquarters; head office
het hoofdkantoor
marketing department; marketing division
de marketingafdeling
contract
het contract
advertisement; advertising
de reclame
to advertise
reclame maken
accounting
de boekhouding
business; things
de zaken
businessman
de zakenman
businesswoman
de zakenvrouw
customer service
de klantenservice
customer; client
de klant
promotion
de promotie
to get a promotion
promotie te maken
salary
het salaris
business trip
de zakenreis
product
het product
meeting
de vergadering
entrepreneur
de ondernemer
budget
het budget
company
de onderneming
deal
de deal
to participate; to take part
deelnemen
industry
de industrie
investment
de investering
risk
het risico
mark; brand
het merk
progress
de vooruitgang
firm; business; company
de firma
to make progress
vooruitgang boeken
funding; financing
de financiering
order; delivery
de bestelling
store; shop
de winkel
laptop
de laptop
agenda; diary
de agenda
competition
de concurrentie
profit
de winst
payroll
de loonlijst