Verbes Flashcards
Être
Zijn
Avoir
Hebben
Aller
+ conjug
Gaan
Ik ga
Je gaat
Wij gaan
Boire
+ conjug
Drinken
Ik drink
Je drinkt
Wij drinken
Manger
+ conjug
Eten
Ik eet
Je eet
Wij eten
Lire
+conjug
Lezen
Ik lees
Je leest
wij lezen
Vouloir
+conjug
Willen
Ik wil
Je wilt
Wij willen
Voir
+conjug
Zien
Ik zie
Je ziet
Wij zien
Vivre
+conjug
Leven
Ik leef
Je leeft
Wij leven
Acheter
+conjug
Kopen
Ik koop
Je koopt
Wij kopen
Venir
+conjug
Komen
Ik kom
Je komt
Wij komen
Appeler, téléphoner
+conjug
Bellen
Ik bel
Je belt
Wij bellen
Parler
+conjug
Spreken
Ik spreek
Je spreekt
Wij spreken
Je
Ik
Tu
Je/Jij
Tu (polie)
U
Il
Hij
Elle
Zij
Nous
Wij
Vous
Jullie
Vous (polie)
U
Ils/Elles
Zij
Je viens
Ik kom
Tu viens
Je/Jij komt
Tu viens (polie)
U komt
Il vient
Hij komt (hey)
Elle vient
Zij komt (zey)
Nous venons
Wij komen
Vous venez
Jullie komen
Vous venez (polie)
U komt
Ils/Elles viennent
Zij komen
Je parle
Ik spreek
Tu parles
Je/Jij spreekt
Tu parles (polie)
U spreekt
Il parle
Hij spreekt
Elle parle
Zij spreekt
Nous parlons
Wij spreken
Vous parlez
Jullie spreken
Vous parlez (polie)
U spreekt
Ils/Elles parlent
Zij spreken
Je suis
Ik ben
Tu es
Je/Jij bent
Tu es (polie)
U bent
Il est
Hij is
Elle est
Zij is
Nous sommes
Wij zijn
Vous êtes
Jullie zijn
Vous êtes (polie)
U bent
Ils/Elles sont
Zij zijn
J’ai
Ik heb
Tu as
Je/Jij hebt
Tu as (polie)
U hebt/heeft
Il a
Hij heeft
Elle a
Zij heeft
Nous avons
Wij hebben
Vous avez
Jullie hebben
Vous avez (polie)
U hebt/heeft
Être (position couchée/situation géographique)
+conjug
Liggen
Ik lig
Je ligt
Wij liggen
Être (position debout)
+conjug
Staan
Ik sta
Je staat
Wij staan
Être (position assis, séjourner)
+conjug
Zitten
Ik zit
Je zit
Wij zitten