Thema 4 Flashcards

1
Q

Alarmnummer

A

Telefoonnummer dat je belt bij spoed.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

Arbeidsomstandigheden

A

De situatie waarin werknemers hun werk uitvoeren.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Arbowet

A

Regels die te maken hebben met veiligheid, gezondheid en welzijn van werknemers.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

BHV’er

A

Bedrijfshulpverlener.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

Bijtwond

A

Wond die ontstaat door tanden.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

Blaar

A

Opeenhoping van vocht onder de huid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

Branddriehoek

A

Drie voor brand noodzakelijke factoren: een brandbare stof, zuurstof, de juiste temperatuur.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

Broeikaseffect

A

Stijging van de temperatuur op aarde door de toename van de hoeveelheid broeikasgassen in de dampkring.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

Buikstoten

A

Techniek om de luchtpijp bij een slachtoffer bij verstikking vrij te maken.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

Dekverband

A

Verbandmiddel voor het steriel afdekken van een wond.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

Desinfecteren

A

Micro-organismen doden wordt ook wel ontsmetten genoemd.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

Drukverband

A

Verbandmiddel om zwellingen te voorkomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

Duurzaamheid

A

Het milieu zo min mogelijk belasten.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

EHBO

A

Eerste Hulp Bij Ongeval.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

Ergonomisch werken

A

Een manier van werken die lichamelijke klachten voorkomt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

Flauwte

A

Te kort aan zuurstof van de hersenen waardoor je bewustzijn verliest.

17
Q

Gesloten botbreuk

A

Gebroken bot waarbij de huid niet beschadigd is.

18
Q

Gewricht

A

Lichaamsdeel dat botten met elkaar verbindt en er voor zorgt dat ze kunnen bewegen.

19
Q

Gifwijzer

A

Lijst waarop staat wat je bij welk gif moet doen.

20
Q

Kneuzing

A

Beschadiging van zachte delen onder de huid.

21
Q

Mitella

A

Driekante doek gebruikt als hulpmiddel om een arm of hand rust en steun te geven.

22
Q

Ontwrichting

A

Letsel waarbij de kop van het gewricht uit de kom is geschoten.

23
Q

RI&E

A

Risico-Inventarisatie en –Evaluatie van arbeidsomstandigheden.

24
Q

Steriel

A

Vrij van micro-organismen.

25
Q

STOP-methode

A

Omgaan met agressie. Stoom afblazen. Tot de orde roepen. Opnieuw beginnen. Passen bij herhaling.

26
Q

Verslikking

A

Een voorwerp in de luchtpijp zorgt ervoor dag je onvoldoende zuurstof krijgt.