Thema 2/Thema 3 Flashcards
Meetmodel
Illustreert de operationalisaties van variabelen
Structureel meetmodel (conceptueel model)
Laat zien hoe de onderzoeker verwacht dat de variabelen samenhangen. (operationalisaties worden achterwege gelaten)
Attritie
Het uitvallen van deelnemers
Causale antecedent
De variabele die invloed uitoefent
confounders
Derde variabelen die verantwoordelijk zouden kunnen zijn voor de gevonden verbanden in een studie
Matching van condities
De poging om manipulaties zodanig te ontwikkelen dat deze equivalent zijn in alle aspecten behalve voor wat betreft de te manipuleren variabele.
Experimentele conditie
De conditie waar de interesse naar uitgaat
Controleconditie
vergelijkingsconditie
Blindering
Deelnemers niet vertellen in welke conditie (groep) ze zijn ingedeeld
Quasi-experiment
Studie waarbij deelnemers ingedeeld worden in groepen op basis van gemeten variabelen (geen randomisatie)
Onafhankelijke variabelen
Causale antecedenten, voorspellers, covariaten
Afhankelijke variabelen
Causale consequent, criterium, uitkomstmaat.
Datapunt
een representatie van de uitkomst van een meting
datareeks
Een reeks van meerdere datapunten die hetzelfde representeren
Nominaal meetniveau
Kan benoemd worden, maar niet mee gerekend. (bijv. haarkleur, geslacht)
Ordinaal meetniveau
Categorieën kunnen geordend worden, maar de afstand tussen de geordende categorieën is onbekend. (bijv. opleidingsniveau)
Ratio meetniveau
Met nulpunt. (bijv lengte. 2 meter is ook 2x zo lang dan 1 meter)
intervalniveau
Zonder nulpunt (bijv. temperatuur. 20graden is niet per se 2x zo warm als 10 graden)
Continue variabelen
Kan mee gerekend worden. Onderscheid ratio en interval (niet relevant)
Categorische variabelen
Onderscheid nominaal en ordinaal (relevant)
De modus
Meest voorkomende waarde in de datareeks. (minder gevoelig voor outliers dan gemiddelde). Vooral informatief bij een beperkt aantal mogelijke waarden of grote hoeveelheid datapunten
De mediaan
Middelste datapunt in de datareeks. (Bij even aantal het gemiddelde van de middelste 2 datapunten)
Range (bereik)
verschil tussen minimum en maximum. (heel gevoelig voor outliers)
Interkwartielafstand (IQR)
Data wordt geordend van laag naar hoog en opgesplitst in vier kwartielen. Dan wordt bepaald bij welke waarde 25% van de datapunten links liggen en 75% rechts. Dat is dan het eerste kwartiel (25ste percentiel). Uiteindelijk heb je dan Q1, Q2 en Q3.
Sum of squares (variatie) (SS)
De som van de gekwadrateerde afwijkingen van het gemiddelde
Mean squares (variantie) (MS)
Gemiddelde van de kwadraten. Informatiever dan sum of squares want houdt rekening met het aantal datapunten.
Vrijheidsgraden
Drukt uit hoeveel datapunten in een datareeks vrij kunnen variëren zonder dat de berekende statistiek verandert. (gemiddelde: n-1)
Standaarddeviatie (SD)
De wortel van de variantie. Geeft de gemiddelde afwijking van het gemiddelde weer.
Frequentieverdeling
Aantallen voor elke mogelijke meetwaarde
Modaliteit
Het aantal toppen van een verdeling. Hartigan’s diptest.
multimodale verdeling
Meerdere toppen. Vaak indicatie van meerdere subpopulaties
Hartigan’s diptest
Perfect unimodale verdeling heeft een waarde van 0. Minder duidelijk eentoppig wordt de waarde groter
Scheefheid (skewness)
Beschrijft of een verdeling symmetrisch of asymmetrisch is. Symmetrisch = waarde 0. Rechtsscheef = positief, linksscheef = negatief.
Spitsheid (kurtosis)
Hoe spits of plat is een verdeling. Perfect normale verdeling, kurtosis = 0. Platter = negatief, spitser = positief
Leptokurte verdeling
Erg spitse verdeling
Normale verdeling
- Unimodaal
- Symmetrisch
- Niet bijzonder spits of plat
- 68% binnen 1 SD van gemiddelde
- 95% binnen 2 SD van gemiddelde
- 99.7% binnen 3 SD van gemiddelde
Z-verdeling (standaardnormale verdeling)
gemiddelde van 0 en SD van 1.
Z-scores
Datapunten in een Z-verdeling
Standaardisering
Het omrekenen van datapunten naar Z-scores. Gemiddelde van de waarde aftrekken en delen door de SD.
Density plots
Grafiek waarmee o.a. de kans kan worden berekend dat een variabele onder en bepaalde waarde ligt
Q-Q plots
Kan verdeling van datareeks vergelijken met normaalverdeling. Splitst de data in kwantielen. Als een datareeks normaal verdeeld is, liggen de kwantielen op een diagonale lijn
Boxplots
3 kwartielen. Middelste lijn = mediaan. boxen eromheen 1e en 3e kwartiel. 50% van de data binnen de boxen.
betrouwbaarheidsinterval
geeft een indicatie van de accuraatheid van een maat uit een steekproef. Ligt altijd om de puntschatting uit de steekproef heen
Steekproevenverdeling (sampling distribution)
de theoretische verdeling van een bepaalde maat (bijv. gemiddelde) die je krijgt als je een oneindig aantal steekproeven uit de populatie zou trekken.
Centrale limietstelling
Naarmate we meer steekproeven trekken, zal de steekproevenverdeling van het gemiddelde steeds meer op de normaalverdeling gaan lijken
Wat zegt een betrouwbaarheidsinterval van 95%
Als er 100 studies worden uitgevoerd, zullen in 95 van die 100 studies de populatiewaarde in het betrouwbaarheidsinterval liggen.