Tekststructuren_EX.DEC Flashcards

1
Q

karakterisering

A

Je kunt daarmee iemand / iets karakteriseren

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

vergelijkend

A

Je kunt daarmee 2 / meer zaken met elkaar vergelijken voor- & nadelen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

verklarend

A

Je kunt een verklaring geven voor een verschijning / voor het verband tussen 2 / meer verschijnselen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

ontwikkeling

A

Je kunt daarmee een overzicht geven van een ontwikkeling

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

instruerend

A

Je kunt daarmee instructies geven over iets

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

persuasief

A

Je probeert iemand met argumenten te overtuigen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

evaluerend

A

Je kunt daarmee de waarde van iets beoordelen met behulp van bepaalde criteria

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

probleemoplossend

A

Je kunt een probleem ermee oplossen, verminderen / voorkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

onderzoek

A

zo onderzoek je iets (KOMT NIET VOOR IN EXAMEN)

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly