Tekststructuren_EX.DEC Flashcards
1
Q
karakterisering
A
Je kunt daarmee iemand / iets karakteriseren
2
Q
vergelijkend
A
Je kunt daarmee 2 / meer zaken met elkaar vergelijken voor- & nadelen
2
Q
verklarend
A
Je kunt een verklaring geven voor een verschijning / voor het verband tussen 2 / meer verschijnselen
3
Q
ontwikkeling
A
Je kunt daarmee een overzicht geven van een ontwikkeling
4
Q
instruerend
A
Je kunt daarmee instructies geven over iets
5
Q
persuasief
A
Je probeert iemand met argumenten te overtuigen
6
Q
evaluerend
A
Je kunt daarmee de waarde van iets beoordelen met behulp van bepaalde criteria
7
Q
probleemoplossend
A
Je kunt een probleem ermee oplossen, verminderen / voorkomen
8
Q
onderzoek
A
zo onderzoek je iets (KOMT NIET VOOR IN EXAMEN)