p4 Flashcards
1
Q
anzünden
A
aansteken
2
Q
benötigen
A
nodig hebben
3
Q
der brauch
A
het gebruik
4
Q
darüber hunaus
A
bovendien
5
Q
denn
A
want
6
Q
das fenster
A
het raam
7
Q
eine freude machen
A
een plezier doen
8
Q
irgendwann
A
ooit
9
Q
kapieren
A
begrijpen
10
Q
eine menge
A
heel veel
11
Q
der wettebewerb
A
de wedstrijd
12
Q
das zeichen
A
het teken
13
Q
aansteken
A
anzünden
14
Q
nodig hebben
A
benötigen
15
Q
het gebruik
A
der brauch
16
Q
bovendien
A
darüber hunaus
17
Q
want
A
denn
18
Q
het raam
A
das fenster
19
Q
een plezier doen
A
eine freude machen
20
Q
ooit
A
irgendwann
21
Q
begrijpen
A
kapieren
22
Q
heel veel
A
eine menge
23
Q
de wedstrijd
A
der wettebewerb
24
Q
het teken
A
das zeichen