p1 Flashcards
1
Q
anziehen
A
aantrekken
2
Q
brauchen
A
nodig hebben
3
Q
empfehlen
A
aanbevelen
4
Q
die ernährung
A
de voeding
5
Q
fast
A
bijna
6
Q
das gefühl
A
het gevoel
7
Q
die gesundheit
A
de gezondheid
8
Q
heutzutage
A
tegenwoordig
9
Q
der körper
A
het lichaam
10
Q
das nahrungmittel
A
het voedingsmiddel
11
Q
die süßigkeiten
A
de snoepjes, de zoetigheid
12
Q
der zucker
A
de suiker
13
Q
aantrekken
A
anziehen
14
Q
nodig hebben
A
brauchen
15
Q
aanbevelen
A
empfehlen
16
Q
de voeding
A
die ernährung
17
Q
bijna
A
fast
18
Q
het gevoel
A
das gefühl
19
Q
de gezondheid
A
die gesundheit
20
Q
tegenwoordig
A
heutzutage
21
Q
het lichaam
A
der körper
22
Q
het voedingsmiddel
A
das nahrungmittel
23
Q
de snoepjes, de zoetigheid
A
die süßigkeiten
24
Q
de suiker
A
der zucker