module 2 Flashcards

1
Q

accijns

A

een verbruiksbelasting op sigaretten, alcohol en benzine.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
2
Q

aflossing

A

terugbetalen van geleend geld

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
3
Q

Assurantiebelasting

A

Belasting over een particuliere verzekering

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
4
Q

begroting

A

een overzicht van verwachte inkomsten en uitgaven voor een komende periode

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
5
Q

begrotingssaldo

A

het begrotingssaldo is het verwachte tekort of overschot over de begroting, uitgedrukt in geld van de overheid.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
6
Q

belastingdienst

A

overheidsbedrijf die zich bezig houdt met belastingheffing.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
7
Q

BPM (belasting op personen auto’s en motorrijtuigen)

A

eenmalige belasting bij aankoop van een auto of motor.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
8
Q

btw (belasting toegevoegde waarde).

A

belasting die je betaalt wanneer je een product of dienst koopt.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
9
Q

consumentenprijs

A

De prijs die je als klant in de winkel betaalt (verkoopprijs inclusief btw).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
10
Q

directe belasting

A

belasting die je direct aan de overheid betaalt. (belasting over inkomen, winst of vermogen).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
11
Q

draagkrachtbeginsel

A

Bij het heffen van belasting word rekening gehouden met de hoogte van je inkomen.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
12
Q

indirecte belasting

A

de belasting die verwerkt zit in de prijs van een product of dienst. (kostprijsverhogende belasting).

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
13
Q

inkomstenbelasting

A

belasting die je betaald over je inkomen

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
14
Q

kansspelbelasting

A

belasting over een gewonnen prijs.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
15
Q

loonbelasting

A

belasting die je werkgever inhoudt op je salaris.

How well did you know this?
1
Not at all
2
3
4
5
Perfectly
16
Q

miljoenennota

A

een toelichting op de rijksbegroting waarin de regering uitlegt welke keuze zij gemaakt heeft.

17
Q

niet- belastingontvangsten

A

andere inkomstenbronnen van de overheid zoals, aardgasbaten, winst uit staatsbedrijven en boetes.

18
Q

omzetbelasting

A

betaalde btw over de verkoopprijs die een leverancier moet afdragen aan de belastingdienst.

19
Q

overdrachtsbelasting

A

belasting bij aankoop van een huis of een bestaand pand.

20
Q

prinsjesdag

A

derde dinsdag van september.

21
Q

rijksbegroting

A

de verwachte inkomsten en uitgaven van de overheid voor het komende jaar.

22
Q

sociale premies

A

premies die ingehouden worden van je brutosalaris voor het gebruik van sociale verzekeringen. (onder andere het WW en WIA).

23
Q

solidariteitsbeginsel

A

iedereen met een inkomen staat een deel van hun inkomen af voor alle mensen die zelf geen inkomen kunnen verdienen.

24
Q

staatsschuld

A

geldschuld van de overheid

25
Q

Staten-Generaal

A

Het parlement (volksvertegenwoordiging) van Nederland. Eerste en tweede kamer.

26
Q

successierechten

A

belasting over een erfenis of schenking

27
Q

troonrede

A

Toespraak die de koning voorleest ten overstaan van de volksvertegenwoordiging op de derde dinsdag van september, wanneer de regering de rijksbegroting voor het daarop volgende kalenderjaar aan het parlement aanbiedt

28
Q

vennootschapsbelasting

A

belasting die bedrijven betalen over hun winst

29
Q

verkoopprijs

A

de prijs die de leverancier heeft bepaald voor zijn product of dienst (exclusief btw).

30
Q

vermogensbelasting

A

belasting over je vermogen groter dan 30.000 euro per persoon.