Middeleeuwen Flashcards
Longitudinaalbouw
De inrichting van een gebouw met de focus in de lengte of in het verlengde. Meestal rechthoekig van aard
Centraalbouw
De inrichting van een gebouw sterk op het midden gericht, in de plattegrond is dat duidelijk waarneembaar. Het bouwwerk dat symmetrisch rond een (meestal denkbeeldige) verticale as is gebouwd en dat hierdoor verticaliteit als hoofdkenmerk heeft
Basilica, basilicale kerk
- in de Romeinse architectuur een grote zaal, omgeven door colonnades, voor
bijeenkomsten en rechtspraak - in de vroegchristelijke en latere perioden een driebeukige kerk, waarvan het
middenschip met de lichtbeuk boven de daken van de zijbeuken uitsteekt
Apsis
Halfronde of veelhoekige uitbouw van een (kerk)gebouw, met name als beëindiging van het koor of van een kapel, die aan de binnenkant van een gebouw zichtbaar is als een inspringing en aan de buitenkant als een uitstulping. > APSIDIOOL: Kleine apsis,
vaak als uitbouw (apsis- of straalkapel) van een grotere apsis of kooromgang
Middenbeuk/ middenschip
Een langgerekte ruimte tussen twee rijen kolommen in een kruiskerk, middeleeuwse hal, markthal, boerderij of boerenschuur. Een beuk bestaat uit meerdere aan elkaar geschakelde traveeën
Zijbeuk
In de christelijke kerk een ruimte die evenwijdig loopt aan het middenschip, ook wel de (midden)beuk. Net als het middenschip en de eventuele dwarsbeuken is de middenbeuk een langgerekte ruimte tussen twee rijen kolommen die uit meerdere aan elkaar geschakelde traveeën bestaat
Lichtbeuk
Bovenste vensterpartij in het middenschip of transept van een kerkgebouw, boven de dakaanzet van de zijbeuken gelegen
Transept/ dwarsbeuk/ dwarsschip
De plattegrond van een gotische kerk heeft altijd de vorm van een kruis. Dit kruis bestaat uit een lange ruimte (het schip, vóór het xxx), met aan het verste einde het koor, achter het xxxx, waar zich het hoofdaltaar bevindt en dat meestal naar het oosten is gericht. Het xxx staat dus haaks op het schip en is meestal noord-zuid georiënteerd. Het bestaat uit drie delen: de beide zijarmen en de kruising. Aan het uiteinde van de beide armen bevindt zich de xxxsluiting
Hallenkerk
Gotisch kerktype, waarbij midden- en zijbeuk even hoog zijn.
Baptisterium
Doopkapel - een afgezonderd deel van een kerk waarin de doopvont (ook wel piscina) staat
Mausoleum
Grafkapel - oorspronkelijk een vrijstaand, monumentaal gebouw waarin het lichaam of de as van een overleden persoon, veelal een heerser, werd bewaard
Martyrium
Een bouwwerk met daarin het graf van een, meestal, christelijke martelaar of heilige
Straalkapel/ kranskapel
Een van de kapellen die in een krans rond de apsis van een kerkgebouw zijn gegroepeerd.
Kooromgang/ ambulatorium/ deambulatorium
Kooromgang: wandelgang om de apsis heen die de koorzijbeuken van een kerkgebouw met elkaar verbindt.
Vieringtoren/ kruisingtoren
Een kerktoren midden op de kruising van een kerk. kunnen gemaakt zijn van steen, maar vaak is dit te zwaar voor de kruispijlers. Daarom worden ze ook vaak van hout gemaakt, vaak beschermd met een loden bekleding
Tongewelf
Eenvoudig gewelf, meestal halfcirkelvormig in doorsnede. Aaneenschakeling van gewelfbogen. Continue belasting van de drager. Maakt openingen in de wand moeilijker dan bvb. bij kruisgewelf of kruisribgewelf waar de krachten (naar de hoeken) worden afgeleid
Kruisgewelf
Gewelf dat ontstaat uit twee tongewelven (nr. 2) die elkaar loodrecht doorsnijden
Kruisribgewelf
Gewelf met vierhoekige of vierkante plattegrond, waarvan de gewelfkappen steunen
op een stelsel van diagonale, dwars- en langsribben. Deze gewelfvorm is de basis van de gotische bouwwijze. Hierbij wordt eerst het rib-skelet gebouwd, waarna de oppervlakte tussen de ribben wordt opgevuld. De ribben zijn het dragende element en leiden de druk meestal af naar pijlers, of via luchtbogen naar steunberen.
Vierdelig, zesdelig kruisribgewelf
Tussen de beide gordelbogen een raam aangebracht, Twee smalle hoge ramen zijn aangebracht
Formeel (steunconstructie)
Veelal houten, ondersteuningscontractie bij het metselen van een boog of geweld dat ervoor zorgt dat de boot of het gewelf de gewenste vorm krijgt. Wanneer de specie gezet is wordt het verwijderd.
Rondboog
Een boog die een halve cirkel beschrijft
Spitsboog
Een boog waarvan de vorm wordt bepaald door twee symmetrische cirkeldelen die elkaar in de top snijden
Luchtboog
Stenen schoorconstructie, meestal in de vorm van een halve boog. De luchtboog dient om uitwendig de zijdelingse druk van gewelven en kapconstructie van de middenbeuk op te vangen en over te brengen naar de steunberen terzijde van de zijbeuken.
Steunbeer
Contrefort, massieve schoor- of schraagpijler die het muurwerk versterkt en de zijwaartse druk van een gewelf naar beneden afleidt.
Pinakel
Slanke beëindiging in de vorm van een spits torentje. Vaak voorkomend in de Gotiek als decoratie of als extra balast op steunberen.
Timpaan
Boogveld boven een deuropening, met name in de Romaanse en gotische bouwkunst.
Triforium
Smalle, doorlopende en van een arcade voorziene gang in een kerkgebouw, gelegen in
het muurvlak tussen de scheibogen of tribune en de lichtbeuk.
Tribune (galerij)
- apsis van een basilica
- verdieping met open galerij (op tekening galerij) boven de zijbeuk van een kerk
Bundelpijler
Een samengestelde pijler of zuil, versierd met halfzuilen, colonnetten of schalken, waardoor de pijler een bloemvormige gelobde doorsnede heeft. xxx werden onder andere toegepast in gotische kerken, waarbij ze de bogen uit verschillende richtingen ondersteunden
Scheibogen
Een van de bogen die in een kerk met middenschip en de zijbeuken van elkaar scheiden.
Arcade
- reeks bogen op zuilen of pijlers, bv tussen middenschip en zijbeuken in een kerk
- reeks bogen met daarachter gelegen overdekte galerij
Travee
Afstand tussen twee opeenvolgende steunpunten in de lengterichting van het gebouw (bijvoorbeeld zuilen), gebruikt als maat om de ruimte in te delen