les 4 Flashcards
Vad vill du äta ikväll?
Wat wil jij vanavond eten?
Vad vill du göra i helgen?
Wat wil jij in het weekend doen?
Var vill du åka på semestern?
Waar wil jij in de vakantie naartoe gaan?
äggen
de eieren
smöret
de boter
pizzan
de pizza
grönsakerna
de groenten
fisken
de vis
osten
de kaas
potatisen
de aardappels
köttet
het vlees
koppen
het kopje
glaset
het glas
flaskan
de fles
burken
het blikje
att ta
nemen
att välja
kiezen
jag skulle vilja
ik wil graag
varm, kall
warm, koud
nyttig, onyttig
gezond, ongezond
vacker, ful
mooi, lelijk
söt, sur
zoet, zout
intressant, tråkigt
interessant, vervelend
kul
tof
lätt, svårt
gemakkelijk, moeilijk
billig, dyr
goedkoop, duur
kniven
het mes
gaffeln
de vork
skeden
de lepel
Nej, jag älskar inte öl
Nee, ik hou niet van bier
Nej, det är inte dyrt
Nee, het is niet duur
Nej, servitören tar inte med sig maten
Nee, de ober brengen het eten niet
Nej, jag har inte öl
Ne, ik heb geen bier
Nej, jag har inte öl
Nee, ik heb geen bier