hoofdstuk 2 Flashcards
1
Q
aanvragen
A
to apply for
2
Q
nodig hebben
A
to need
3
Q
opzoeken
A
to look up
4
Q
sturen
A
to send
5
Q
afhangen
A
to depend
6
Q
allerlei
A
all kinds of
7
Q
bepalen
A
to determine
8
Q
het bewijs
A
proof
9
Q
de gebeurtenis
A
event
10
Q
het huewelijk
A
marrige
11
Q
ontvangen
A
to recieve
12
Q
plakken
A
stick (stamp)
13
Q
de postzegel
A
stamp
14
Q
regelmatig
A
regularly
15
Q
versturen
A
to send
16
Q
wegen
A
to weight
17
Q
de doos
A
box
18
Q
het lid
A
member
19
Q
overdag
A
by day, during the daytime
20
Q
brievenbus
A
mail box